WINDOWS
Windows 10
Windows 8
Windows 7
Windows XP
WEBSITE
HTML
StyleSheet
xampp
BROWSERS
Edge
Firefox
HARDWARE
Sony e-Reader
iPhone
iPad
SOFTWARE
Thunderbird
HomeSite
PC-INFO
DNS servers
DIVERSEN
Dagboek Tobias
Stripboeken
PostNL tarieven
 

Laat ik me eerst even voorstellen: TOBY.... Aangenaam.
Op mijn inentingsbewijs staat dat ik "TOBIASJE" heet, maar daar staat wel meer onzin op. Bijvoorbeeld dat ik een 'Europese korthaar' ben. Flauwe kul.
Dat 'Tobiasje' is een verzinsel van tante Hortensia. Zo heet het mens waarbij ik woon. Dat van die korthaar komt uit de duim van de dierenarts. Ik ben CYPERS, meneer! Knoop dat in uw oren! Mijn moeder was Cypers, mijn grootmoeder ook en mijn overgrootmoeder ook. Het zit zogezegd in de familie.

Dit wordt een dagboek. Ik ben van plan het zo goed mogelijk bij te houden, maar ik ben een drukbezette kater zodat ik vaak wel eens een weekje of wat zal moeten overslaan. Enfin, dat moet mijn secretaris maar regelen. Mijn secretaris is de vent wiens portret hiernaast staat. Hij verstaat heel aardig KATS - zo heet onze taal - al kan hij het zelf niet mauwen.
Het is en blijft een mens en dat is toch maar behelpen.

Ik moet nog vertellen waar ik woon. Aan de Lommerlaan nummer 10, tussen de Boterdijk en de Melkweg. Het huis is van tante Hortensia, het mens dat ook mijn natje en mijn droogje regelt. Tante Hortensia is een dikke dame op leeftijd met roze geverfd haar. Het is een beetje een kakmadam, dat wel, maar ze heeft een schoot als een voetbalveld. Ruimte zat voor een kat.


Midden in de nacht werd ik wakker. Iemand deed de koelkast open. Loos alarm. Het was tante Hortensia. Ze doet aan de lijn en eet overdag niet. Daarom staat ze 's nachts op om taart te eten. Ik was te moe om te bedelen. Na een licht ontbijt van brokjes ben ik de buurt ingegaan.
Tegenover tante Hortensia woont de heer Natjes. Hij is een vervelende ouwe kerel met een strooien hoed en een hond. Jazeker, een hond. Een Europese korthaar zonder stamboom, die voortdurend mijn leven vergalt. Deze herrieschopper heet ´Bokma´.
In dierenkringen aan de Lommerweg en omstreken is bekend dat Bokma niet
kan kwispelen. De eerste die daar achter kwam was Poesjkin, de kat van de intellectuelen van nummer 13. Bokma doet maar alsof hij kwispelt, volgens Poesjkin. Als meneer Natjes hem aait, schudt hij met zijn hele lichaam.
Hij zwaait en danst en wat al niet meer. Maar zijn staart doet niks, die
blijft keurig op zijn plaats in de lucht hangen. Het is meer een staart die met
zijn hond kwispelt, meent Poesjkin.

Poesjkin is zelf ook intellectueel, net als de lui die zijn eten regelen. Poesjkin is zwart en spint nooit. Dat doen beschaafde katten niet, vindt hij.
Waar was ik? Oh ja, ik was even de buurt in om me wat te vertreden. Door het gat in de heg, het Zandlaantje af en bij de hazelaar die naar hondepies stinkt linksaf de weg over. Bij Natjes heerste grote bedrijvigheid, Er stond een verhuiswagen voor.
Poesjkin, die ik erover aanschoot, wist ook niet wat het te betekenen had.
We wachten maar af.
's Avonds vis met rijst. Geslapen in de boekenkast.


Vroeg op. Haastig wat brokjes naar binnen gewerkt en toen naar buiten. Er is echt iets aan de hand bij Natjes! Poesjkin zat al op de schutting en zuchtte diep toen hij me zag. "Wat mankeert er aan?" vroeg ik.
"De zuster van Natjes is bij hem ingetrokken", antwoordde hij.
"Nou en?"
"Ze heeft een poes". Mijn hart sloeg een slag over. Er is een poes in de buurt!
"Ik zag haar in haar mandje. Een Perzische, met lang haar", zei Poesjkin droevig en zuchtte nog dieper . Daar heeft hij alle reden voor; Poesjkin is 'geholpen', zoals de mensen dat fijntjes uitdrukken. Hij kan nog wel verliefd worden, maar hij mist iets, waardoor poezen geen enkele belangstelling meer voor hem hebben. Gelukkig is hij intellectueel geworden. Dat leidt af.
"Is ze mooi?" wilde ik weten. Poesjkin knikte en zuchtte nog dieper. Ik sprong naast hem op de schutting.
"Weet je hoe ze heet?"
"Nee, ik weet verder niets over haar. Wat heb ik er ook aan", besloot hij met een zucht.
We wachtten tot de Perzische tussen de cactussen voor het raam zou verschijnen. Een paar uur lang zaten we voor niets naar het huis van Natjes te loeren. Toen begon het te regenen en zijn we naar huis gegaan. Morgen beter.

Voor het avondeten waren er vleesbolletjes met hart, ingeblikt door de firma Tsjomp. Gêtver! In de bijkeuken zag ik dat tante Hortensia daarvan een hele doos had gekocht. Het was zeker in de aanbieding. Dat wordt afzien in de toekomst. Slecht geslapen onder de boekenkast. Een paar keer wakker geworden omdat ik het zuur had.


Wat een dag! Ik heb tot zonsondergang bij Natjes op de schutting gezeten om een glimp van de Perzische met de lange haren op te vangen. Tevergeefs. 's Avonds met lange tanden wat Tsjomp viskluitjes gegeten. Tante Hortensia keek vertederd toe. Ik moet hier toch wat op zien te vinden, want anders eet ik de rest van mijn leven Tsjomp. Geslapen in de vensterbank.


Vroeg op. 's Middags bij Natjes op de schutting de wacht gehouden, maar geen Perzische poes te bekennen. Ik begon Poesjkin er al van te verdenken dat hij de boel bedonderde toen Bokma naar buiten kwam. Toen hij me zag begon zijn staart met hem te kwispelen en hij blafte alsof zijn leven ervan afhing. Waar al die herrie goed voor was mag Joost weten. Eindelijk hield hij zijn bek zodat ik me een beetje verstaanbaar kon maken.
Ik viel meteen met de deur in huis. "Heb je inwoning gekregen, Bokma?" vroeg ik poeslief.
"Gaat je niets aan", blafte hij. Kijk, dat is nou typisch hond. Altijd een grote bek.
"Als je me alles vertelt, heb ik wat lekkers voor je", zei ik.
"Lekkers?" hijgde hij. Zijn tong hing al een mijl naar buiten.
"Jazeker. Tsjomp vleesballen met lever. Een delicatesse".
"Een wat?"
"Iets dat erg lekker is", zuchtte ik. Stomme hond.
"Oh. Echt?" "Echt. Vanavond om half acht in de bijkeuken", stelde ik voor. "En hou alsjeblieft op met kwijlen".
Natuurlijk was hij veel te vroeg. Ik zag de schrokop al om zeven uur door de heg kruipen en in de tuin rond wandelen. Om half acht deed ik open, maar ik zorgde ervoor dat het haakje op de deur bleef.
"Kijk, daar staan de overheerlijke vleesballen". Ik wees hem het bakje met de smakeloze hap. "Maar nu moet jij eerst alles vertellen over die Perzische".
Bokma vertelde. Er was inderdaad een Perzische poes bij hen in komen wonen. Ze was spierwit
en had lange haren. Haar ogen waren van goud. Ze heette Soraya de Cacq van Capsonistan.
Ik kreunde. De naam alleen al! Wedden dat ze een prinses was of zo? Volgens Bokma was ze inderdaad van hoge afkomst. De zuster van Natjes had de stamboom van de Perzische uitgerold en opgeprikt. Hij was zo lang als een rol behang. Bokma pauzeerde even en krabde zich uitvoerig achter zijn oren. De Perzische zat nu nog onder de bank, vervolgde hij. Alles was nog nieuw voor haar. Maar vroeg of laat zou ze er wel onder uitkomen en dan wilde Bokma haar wel aan me voorstellen, als ik dat wilde.
"En nu mijn delinquentesse", zei hij.
"Je wat?" vroeg ik verwonderd.
"Zo noemde je toch die lekkere vleesballen die je me hebt beloofd?" zei hij.
"Dat heet delicatesse", verbeterde ik hem. Ik haalde het haakje van de deur en Bokma stoof de bijkeuken in. Ik bleef hoog en droog bovenop de bijkeukentafel zitten en keek toe hoe hij de bak leegschrokte. Onverwacht - niet voor mij maar wel voor Bokma - verscheen tante Hortensia in de deuropening.

"Vieze rothond!" riep ze toen ze Bokma zag. "Blijf van het eten van mijn Tobiasje af!" Ze pakte een oude schoen en smeet hem naar Bokma. Mis. De volgende was raak. "Hier! Ellendig beest!" De derde kreeg hij precies op zijn kop. Bokma piepte verontwaardigd en maakte dat hij wegkwam.
"Arm Tobiasje", kirde tante Hortensia. Ze pakte me op en drukte me tegen haar boezem. Vreselijk. "Heeft die vieze hond je lekkere hap-hap opgegeten?" Ik gaf haar een kopje. Je moet wat voor de goede zaak over hebben. "Zal 't vrouwtje dan maar iets lekkers voor je maken, poesjemoesje? Voor de schrik?"
"Poesjemoesje", hoe verzin je het. Ik deed net alsof ik spinde.
Tante Hortensia dook in de koelkast. Er was nog wat rosbief en aardappelen met jus. En vanillevla toe. Kijk. dat noem ik pas een echte maaltijd.
Tevreden ging ik die avond in de boekenkast slapen. Ik had uitstekend gegeten en de nodige inlichtingen over de Perzische gekregen. Bovendien had ik tante Hortensia haar schoenen naar Bokma zien gooien. Dat is ook de moeite waard. Ik waste me uitvoerig. Morgen ga ik mijn opwachting maken bij Soraya.


Ik weet het zeker: ik heb een vlo! Afschuwelijk. Een vlo! Zo kan ik Soraya niet onder haar Perzische ogen komen.
Ik rende de boekenkast uit en begon me overal te likken. Vergeefse moeite.
's Ochtends ben ik bij Poesjkin langsgegaan en heb ik een tijdje knus bij hem gezeten in de hoop dat de vlo op hem zou overstappen. Dat was een misrekening, hij bleef gewoon zitten waar hij zat: op mijn rug.
Het avondeten was een kliekje macaroni. Lust ik niet. Ik heb de kaas eraf gelikt en ben in het naaimandje gaan slapen.


Laat op. Wat brokjes gegeten als ontbijt. Tante Hortensia had weer eens vergeten water neer te zetten zodat ik uit de gieter moest drinken. Zo'n mens bezorgt je toch een hoop extra moeite. Ik moest iets verzinnen om de vlo kwijt te raken.
Ik besloot met hem te onderhandelen.
"Vlo?" vroeg ik.
"Ja". Vlooien hebben een rare piepstem.
"Waar zit je?"
"Op je rug, waar anders".
"Kom naar mijn buik, dan kan ik je beter horen", probeerde ik.
"En me ook beter pakken", lachte de vlo. "Ik kijk wel uit".
Stik. Deze list was mislukt.
"Hoe kom je eigenlijk op mijn rug?" wilde ik weten.
"Ik ben met hond Bokma meegereisd", antwoordde hij. "Hij was zelf overbevolkt. Mijn hele familie woont op hem. Hij zei dat bij jou nog plaats zat was in je vacht".
Die rothond. Altijd vol achterbakse streken! In elk geval heeft Bokma niet voor niets die schoenen naar zijn kop gekregen.
"Ik heb een afspraak met een perzische prinses", zei ik niet geheel naar waarheid.
"Nou en?"
"Nou ja, je begrijpt natuurlijk wel dat het niet sjiek is een vlo mee te nemen naar je verloofde". Dat van die verloofde was ook niet waar.
"Waarom niet?" vroeg de vlo beledigd. "Wij vlooien gaan altijd overal mee naar toe".
Daar was ik al bang voor. 's Avonds tot overmaat van ramp weer Tsjomp. Geprobeerd te slapen op het schapevachtje.


De vlo is er nog. Door zijn gewriemel en gekriebel heb ik geen oog dicht kunnen doen. Zolang hij er is, kan ik niet op kennismakingsvisite bij Soraya gaan. Stel je voor dat de vlo op haar overspringt. Dan weet ze meteen dat de Cyper van nummer 10 een ordinair beest is omdat hij vlooien heeft. Het steekt me meer dan ik zeggen kan. Die vlo trouwens ook.
Neerslachtig ging ik tussen de begonia's voor het raam zitten en merkte dat ze onder de luizen zitten. Ik ben dus niet de enige met ongedierte. Hoe raak ik dat rotbeest kwijt? 's Avonds waren er sardines. Mij te vet.
Ik moet om mijn lijn denken anders wordt het zeker nooit wat tussen Soraya en mij. Ik ben gaan slapen op de hoogste plank van de boekenkast.
Als de vlo één misstap maakt, valt hij zo ver naar beneden dat hij nooit meer kan terugspringen.


Ondanks de vlo heb ik redelijk geslapen. Na het ontbijt ging ik naar buiten voor mijn dagelijks ommetje. Bij de bosjes voor de boerderij van boer Zult kwam ik Poesjkin tegen. Hij zat op een kilometerpaaltje en staarde peinzend voor zich uit.
"Hallo Poesjkin".
Hij keek op. "Oh, hallo Toby".
"Waaraan zit je te denken?" vroeg ik. "Aan iets intellectueels?"
"Aan onze negen levens".
"Onze negen levens?" Wat was dat nou weer?
"Weet je dan niet dat wij katten negen levens hebben?" vroeg hij verwonderd.
"Nee". Ik begreep er niet veel van. "Hoe kun je nou negen levens tegelijk hebben?" vroeg ik.
"Je hebt ze ook niet tegelijk", legde hij uit. "Maar na elkaar".
"Jij laat je ook van alles wijsmaken", lachte ik. Ineens kreeg ik een ingeving. "Weet je wat? Als je mijn vlo neemt mag je mijn acht levens ook hebben. Ik heb ze niet nodig. Ik heb aan dit ene meer dan genoeg".
Poesjkin trok haastig zijn staart uit mijn buurt en legde hem om zich heen. "Heb jij een vlo?" vroeg hij geschrokken. "Hoe kom je daar aan?"
"Van Bokma", mopperde ik. "Die ellendige hond heeft me een loer gedraaid. En nou kan ik niet op visite bij die Perzische.
Stel je voor dat hij overspringt".
Poesjkin zuchtte diep. Omdat hij 'geholpen' is, heeft de liefde alle glans voor hem verloren.
"Ja", zei hij, "dat is triest.
Doe zoals ik. Denk aan diepzinnige dingen, dat geeft troost".
"Oh ja?"
"Ja. Je zou bij voorbeeld over onze negen levens kunnen nadenken".
"Ach, val dood", mopperde ik knorrig en liep boos bij hem weg.
"Dat was interessant wat die Poesjkin vertelde", merkte de vlo op.
"Ah, ben jij ook wakker?"
"Jazeker", geeuwde de vlo. "Een beetje later dan normaal.
Maar je hebt ook zo'n lekkere vacht. Als je hem vergelijkt met die van Bokma: die stinkt en is zo hard als een borstel. Bovendien struikel je er over je familie terwijl ik bij jou lekker het rijk alleen heb". "Ach, hou je mond toch". Ik was niet in de stemming voor vlooiepraatjes. Maar hij trok zich er niets van aan.
"Dat van die negen levens", mijmerde hij, "zou dat ook voor vlooien opgaan?"
"Hoe zo?" vroeg ik verbaasd.
"Nou kijk", legde hij uit. "Kat en vlo" zijn onafscheidelijk, nietwaar?"
"Oh ja?"
"Ja", zei hij beslist. "En als een kat een nieuw leven krijgt, waarom zou dat dan niet ook voor ons vlooien gelden? Samen uit, samen thuis, nietwaar?"
"Nee!" Ik kookte van woede. Dat die bloedzuiger me jeuk en bulten bezorgde was nog tot daar aan toe, maar dat hij me ook nog met zijn geklets aan de kop zeurde, was onverdraaglijk. Ik moest nu echt over krasse maatregelen gaan nadenken.
's Avonds 'Pâté spécial' van het merk Tsjomp. Lust ik niet. Geslapen in het wandmeubel.


Ik heb Soraya gezien! De Perzische zat bij Natjes voor het raam tussen de cactussen. Wat is ze mooi! Mijn hart sloeg een slag over en al mijn haren stonden overeind. Ik deed natuurlijk net alsof ik haar niet zag. Kop en staart fier overeind, zo liep ik voorbij. Ik keek uit mijn ooghoeken om te zien of ze me ook zag maar ik zag niets omdat ik met de neus in de wind liep.
Omdat ik niets beters wist, ben ik maar weer met de vlo gaan onderhandelen.
"Als ik nu iemand anders voor je uitzocht?" begon ik. "Iemand waar je het ook goed hebt en waar ehh...".
"Waarom zou ik?" viel de vlo me in de rede.
"Waarom niet? Het kan best zijn dat er iemand is die nog lekkerder is dan ik", verklaarde ik.
"Zo? Wie dan?"
Ik dacht razendsnel na. "Wat zou je denken van tante Hortensia?"
"Bah, dat is een mens!"
"Nou en?"
"Mensen drinken wijn en bier en daar kan ik niet tegen".
"Oh nee?". Dat was iets om te onthouden.
"Nee, als je dan een druppeltje bloed van ze neemt ben je meteen stomdronken".
"Is dat zo erg?" vroeg ik.
"Wat dacht jij! Als je een sprongetje wilt maken, weet je van dronkenschap niet meer met welk stel poten je ook alweer moest beginnen: met het voorste, het middelste of het achterste stel. Je struikelt voortdurend en het eind van het liedje is dat je om de haverklap op je snufferd ligt. Nee meneer, mensen zijn niets voor mij".
"Tante Hortensia slurpt anders alleen advocaat", suste ik. "Dat is niet zo erg. En als je niet weet met welk stel poten je moet springen dan spring je toch gewoon met al je poten tegelijk? Dan weet je zeker dat je goed zit".
"Daar zit wat in", zei hij nadenkend.
"Doe je het?" vroeg ik hoopvol.
"Wat?"
"Op tante Hortensia springen natuurlijk!"
"Misschien. Ik moet eerst kijken of ze wat voor me is".

Thuis sprong ik meteen bij tante Hortensia op schoot. "Dag, m'n troelepoepje", zei ze.
"Kom je gezellig bij het vrouwtje?" Zo noemt ze me soms: "troelepoepje"; om je dood te schamen.
"Spring maar", nodigde ik de vlo uit. Hij zei niets. Zou hij weg zijn? Als dat 'ns waar was. "Vlo? Ben je er nog?" vroeg ik voorzichtig.
"Ja".
"Oh", zei ik teleurgesteld.
"Ze is wel veel, he?" zei hij na een tijdje. Inderdaad is tante Hortensia nogal... eh... struis, maar dat mag voor een vlo toch geen bezwaar zijn?
"Ze is helemaal voor jou alleen", moedigde ik hem aan.
"Tjonge", zei de vlo onder de indruk en sprong. Ik sprong meteen van de schoot van tante Hortensia en zette het op een lopen.
Die nacht sliep ik buiten met een lege maag. Nu ja, alles was beter dan die vlo. Bovendien staat er bij tante Hortensia nog altijd Tsjomp op het menu en dat spul blief ik toch niet. Morgen ga ik mij voorstellen aan de Perzische dame.


Nadat ik me uitvoerig heb gewassen ben ik met glanzende vacht mijn opwachting gaan maken bij Soraya de Cacq van Capsonistan. Ik wipte veerkrachtig op de schutting van Natjes en verkende de tuin. Waar was dat vlooienpakhuis van een Bokma? Ik zag hem nergens, maar ik rook hem overal. Niet helemaal gerust sprong ik de tuin in en liep om het huis. Ik had beter moeten uitkijken waar ik liep, want voor ik er erg inhad, liep ik - stommeling! - de Perzische schone ondersteboven. Ik schaamde me kapot toen ik opkrabbelde. Dat moest mij weer overkomen! Ze likte wat vuil weg en keek me koel aan. Ik kon wel door de grond zakken.
"Het...het s...spijt me, hoogheid", stamelde ik. Ik wist niet waar ik moest kijken. "Ik bedoelde het anders. Ik bedoel: ik bedoelde het helemaal niet, hoogheid", voegde ik er haastig aan toe. "Ik wilde helemaal niet tegen u aan lopen, maar om u heen..." Tenslotte hield ik mijn mond. Ik maakte het toch alleen maar erger.
"Kun je niet uitkijken waar je loopt, theemuts?" zei ze met schelle stem.
"Pardon?" vroeg ik verbijsterd, terwijl ik over mijn schouder keek. "Heeft u het tegen mij?"
"Ja, ik heb het tegen jou, theemuts. Tegen wie anders?" vroeg ze geërgerd.
"M... maar hoogheid..." stotterde ik.
"Wat sta je nou te 'hoogheiden', halve gare?"
"Heb ik dan niet de eer met Soraya de Cacq van Capsonistan te praten?" vroeg ik.
Haar mond viel open van verbazing. "Met wie? Ik heet Sylvia Fluitekruid, maar iedereen noemt me 'Silly'".
Ik kreeg het vreselijke voorgevoel dat ik werd beetgenomen. "Heb je dan geen stamboom zo lang als een rol behang?" vroeg ik voorzichtig.
"Jongen, ik weet amper wie mijn eigen moeder was", zei ze lachend. "Ik weet niet waar jij al die onzin vandaan hebt, maar als je het mij vraagt, moet jij je eens laten nakijken".
"Oh", zei ik. Ik wilde dat ik dood was.
"Even zo goed aangenaam kennis met je gemaakt te hebben, mooie jongen", zei ze nonchalant. "Ciao, baby!". Ze draaide zich om en liep staartwiegend weg. Verbijsterd keek ik haar na.
Achter mij hoorde ik een gesmoord gelach. Als door een vlo gestoken draaide ik me om en ik zag Bokma, die stikkend van de lach in het gras rolde.
"Een p...prinses! Hij...hij dacht dat ze een prinses was!" De tranen liepen hem langs zijn snuit.
"Ja 'hoogheid', nee 'hoogheid'. Die lellebel een prinses! Woehoehoe! Kijk hem nou eens staan.
Heb ik die even mooi tuk gehad!".
"Jij ellendige rothond", was het enige dat ik kon uitbrengen. Met twee sprongen was ik op en over de schutting. Brandend van schaamte rende ik naar huis. Nog lang klonk het hoongelach van Bokma me in de oren. Thuis at ik wat Tsjomp, wat ik anders niet lust en kroop van schaamte onder de boekenkast.


Om zeven uur 's-ochtends schrok ik wakker door een akelige gil. Mijn hart stond stil. Wat was dit? Wie werd er vermoord? Was dit het einde van de wereld? Voorzichtig gluurde ik onder de boekenkast uit.
"EEN VLO!" gilde tante Hortensia. "Ik heb een vlo! Kssst! Ga weg, vies beest!"
Ik besloot voorlopig maar onder de kast te blijven. Na enige tijd keerde de rust in huis terug. Ik sukkelde weer in slaap. 's Avonds was ik al de opschudding weer vergeten. Ik wilde een hapje gaan eten toen ik onverwacht hardhandig in mijn nekvel werd gegrepen.
"Jij gaat mee!" hoorde ik tante Hortensia zeggen. Ze klonk knap overspannen. Tegenspartelen had geen zin. Ze droeg me naar de badkamer en voor ik er erg in had stopte ze me in bad. "Ik moet geen vlooien in mijn huis", zei ze terwijl ze een spons met zeep boven mijn kop uitkneep.






De hele dag onder het bed in de logeerkamer gelegen om die vieze zeeplucht uit mijn vacht te likken. Ik ben ongelukkig. Zonder eten gaan slapen.


Na een brokjesontbijt ben ik naar Poesjkin gegaan.
"Wat heb jij?" vroeg die. "Je ziet er uit alsof je hondevlees met mosterd hebt gegeten".
"Ik ben een gebroken kat", zei ik zwartgallig. "Het leven heeft voor mij geen zin meer. Ik ga er een eind aan maken".
"Waarom?"
"Die ellendige hond Bokma heeft me een loer gedraaid. Die zogenaamde Perzische met die sjieke naam was gewoon een Hollandse cafékat. Zo eentje die zich door Jan en Alleman laat aanhalen. En een taal dat ze uitsloeg. 'Theemuts' noemde ze me. Bokma lachte zich dood. Ik kan me daar nooit meer laten zien".
"Maar dat is toch nog geen reden om er een eind aan te maken?" zei Poesjkin.
Ik zuchtte. "En daarna heeft tante Hortensia me in bad gestopt omdat ze dacht dat ik een vlo had. Maar die had ik juist aan haar overgedaan".
Poesjkin kreeg een dikke staart van schrik. "In bad?" vroeg hij vol afgrijzen. "Met zeep?"
"Met veel zeep".
"Dan begrijp ik waarom je er een eind aan wilt maken". Lange tijd zaten we in gedachten op het muurtje voor Poesjkins huis. "Alleen, het helpt niet", zei Poesjkin tenslotte.
"Wat niet?" vroeg ik.
"Je van kant maken", antwoordde hij. "We hebben immers negen levens".
"Dat had ik ook al bedacht".
"En in een volgend leven word je ook in bad gestopt", zei hij.
"Vast. Daarom blijf ik voorlopig toch maar in dit leven". 's Avonds kreeg ik vis en een schoteltje melk. Ik verzoende me een beetje met tante Hortensia en ging in de vensterbank slapen.


De hele dag het huis niet uit geweest. Ik schaam me kapot. Ik deed een tukje en droomde van Silly. Als ze wat aan haar taalgebruik zou doen en niet zo ordinair met haar staart zou wiegen, zou er misschien nog wel eens een dame uit kunnen groeien. Misschien ligt hier een mooie taak voor mij. Ik liet de Tsjomp staan en ging vroeg slapen in de wasmand.


Voor het eerst durfde ik weer naar buiten. Ik wachtte tot het donker werd en glipte onder de heg door. Bij de rododendron sloeg ik linksaf en liep via de tuin van de buren de straat op. Plotseling hoor ik een schel gefluit achter me. Automatisch draaide ik me om en schrok me dood. Op de schutting bij Natjes zat Silly met haar staart te wiegen.
"Hallo, theemuts!" riep ze.
"Bedoel je mij?" vroeg ik met dichtgeschroefde keel.
"Ja, wie dacht jij dan, mooie jongen?"
"Mooie jongen, daarmee bedoelde ze mij. Ik wist niet waar ik moest kijken. Het is een oude kattenwijsheid dat je je het beste kunt gaan likken als je je met je figuur geen raad weet. Maar ik had me thuis al van kop tot staart een beurt gegeven. Ik draaide me daarom zo waardig mogelijk om en verdween onder de heg. Opnieuw hoorde ik een schel gefluit achter me.
"Hee, wacht nou effe!" riep ze. "Ik wil je wat zeggen!"
Maar ik piekerde er niet over. De lol van het uitstapje was er af en ik rende regelrecht naar huis. Onderweg drong het tot me door dat het Silly was geweest die me had nagefloten. Een kat die kon fluiten, dat had ik nog nooit meegemaakt. Ik wist niet goed wat ik ervan moest denken. 's Avonds met lange tanden wat Tsjomp gegeten en op de sofa geslapen.


De hele dag heb ik aan Silly liggen denken en geprobeerd of ik ook kon fluiten. Zonder resultaat. Na een uur proberen had ik kramp in m'n mond zodat ik mijn brokjes moest laten staan. Ben gaan slapen in de vensterbank.


Ik kan nog steeds niet fluiten. De hele dag heb ik lopen proberen. Hoe doet Silly dat in vredesnaam? Terwijl ik aan het oefenen ben merk ik dat tante Hortensia me heel raar zit aan te kijken. Ik ken die blik in haar ogen. Als ze zo kijkt, wil ze me meestal gaan kammen of - wat nog veel erger is - een jasje aantrekken dat ze voor me heeft gebreid. Jullie weten wel, zo'n ding dat ze met touwtjes onder aan je buik vastknopen. Ik besloot voor de zekerheid onder het dressoir te kruipen. Te Iaat. Ze was me voor. Ze pakte me beet en tilde me op. Ja hoor, daar had je het gedonder in de glazen al.
"Ach, m'n troelepoepje", zei ze zoetsappig. "Wat heeft hij dan aan zijn bekje? Krampjes? Pijntjes?"
Hoe leg je zo'n mens uit dat je alleen maar probeert te fluiten? Ze begon me uitvoerig te knuffelen. Ik spon maar een beetje, je weet nooit waar het goed voor is.
"Het vrouwtje heeft nog ergens een gorgeldrankje", .mompelde ze. Ze nam me mee naar de keuken en begon in het kastje te rommelen waar mijn medicijnen stonden.

Pillen tegen wormen en zo. Daar moet ik niets van hebben. Terwijl ze het kastje overhoop haalde, glipte ik door het luikje naar buiten. Gorgeldrankjes, mij krijgen ze niet.
's Avonds een vlieg gevangen die me niet smaakte. Met een lege maag geslapen onder de azalea's.


Ik werd wakker omdat ik een raar luchtje rook. Ik opende een oog en keek recht in de grijnzende tronie van Bokma.
"Heeft ze je eruit gegooid?" vroeg hij vol leedvermaak.
"Ach, donder toch op".
"Hoor je niet wat hij zegt, kwispelmans?" hoorde ik plotseling iemand zeggen. Ik keek op en zag Silly staartwiegend naderbijkomen.
"Ik neem van jou geen bevelen aan", snoof Bokma, maar hij klonk niet erg zelfverzekerd.
"Oh nee?" Toen gebeurde er iets dat me altijd zal bijblijven. Al was het alleen maar omdat weer eens duidelijk werd dat wij katten in het dierenrijk een treetje hoger staan dan honden. jazeker! Silly ging op haar gemak vlak voor Bokma zitten en keek hem strak aan. Eerst wilde hij haar een poot geven, waar ze natuurlijk niet op inging. Toen begon hij te giechelen en rolde hij zich van de zenuwen op zijn rug.
"Niet doen! Niet zo kijken!" smeekte hij terwijl hij de slappe lach kreeg. "Dat is niet eerlijk. Daar kan ik niet tegen. Dat kietelt! Hihihi!". Zijn tong hing wel een halve meter uit zijn bek.
"Ophoepelen", zei Silly. Giechelend en met de staart tussen de benen maakte Bokma dat hij wegkwam. Ik kwam onder mijn azalea vandaan.
"Slaap je altijd buiten, theemuts?", vroeg Silly aan mij.
"Och, soms", antwoordde ik toen ik van mijn bewondering was bekomen. "De roep van de natuur, he?".
"Hoe zo?" Ze was oprecht verbaasd.
"Ik heb nog een echte wilde boskat in de familie", loog ik. "Die liefde voor het buitenleven, dat heb ik van hem".
Ze was niet onder de indruk. "Waarom loop je dan weg als ik je roep, Tarzan?"
"Fluit", verbeterde ik. "Je floot".
"Nou en?"
Ik lachte verlegen.
"Ik dacht dat wilde boskatten daar niets vreemds aan vonden".
"Nou ja, zo wild is mijn familie nu ook al weer niet", verzekerde ik haar haastig. Ik wilde dat ik mijn mond had gehouden over die zogenaamde wilde voorouders van me". "Ik heb ook veel beschaafde familie. En die fluiten elkaar niet na".
Ze zuchtte. "Waarom doe je zo vreemd tegen me? Omdat je je door Bokma hebt laten beetnemen? Omdat je dacht dat ik een prinses was?"
Ik keek naar de grond. Plotseling kwam ze dicht bij me staan en gaf me tot mijn verwarring een kopje. Ik verstijfde. Wat had dit te betekenen? Haar haren kriebelden in mijn neus. Als ik niesde zou ik haar misschien beledigen, dus hield ik krampachtig mijn nies in.
"Zeg jij maar 'prinses' hoor, theemuts", zei ze. "Als je dat wilt. Zo noemden ze me in het café ook". "Goed", antwoordde ik verlegen. "Als jij me Toby noemt. En geen theemuts".
"Okee, Tarzan".


Een rustige dag. Een ommetje gemaakt. Ik trof Poesjkin die op het hek van boer Zult over het wereldraadsel zat na te denken. Omdat het nog even zou duren voor hij het antwoord had, besloot ik bij de prinses - zo noem ik Silly tegenwoordig - langs te gaan.
Ze zat bij Natjes voor het raam tussen de cactussen en schonk me een knipoog die mijn hart sneller deed kloppen. Ik wilde enthousiast op de vensterbank springen, maar had buiten hond Bokma gerekend. Hij lag onder het raam met zijn poten in de lucht zijn rug te schurken.
"Donder op", zei hij en liet zijn gele tanden zien. Meneer was uit zijn humeur. Omdat het ook nog begon te regenen, ben ik maar naar huis gegaan. Tante Hortensia had brokjes van het merk Tsjomp voor me neergezet. Ik zal die smeerlapperij lang te eten krijgen, want ze heeft er nog een container vol van.
In de boekenkast geslapen.


Er is een andere kat in huis! Een kakelbont beest van het ordinaire merk 'lapjes'. Hij heet Joop, is amper één jaar oud en hondsbrutaal. Hij logeert een tijdje bij ons. Tante Hortensia is door het dolle heen. Joop mag alles. Het naaimandje omwoelen, in de bloemenbak plassen en met zijn poten in zijn eten staan. Ik ben diep ongelukkig, maar niemand die het merkt.
"Jij moet niet zo jaloers doen", verweet tante Hortensia me terwijl ze Joop achter zijn oren krabde. Hij spon als een dieselmotor, de huichelaar. Ik had me voorgenomen om net te doen alsof hij niet bestaat, maar hij trekt zich daar niets van aan.
"Hee, ouwe, niet zo harkerig. Kom op, we gaan een rel trappen in deze hut", riep hij tegen mij. Joop komt uit de stad. "Waar wacht je nou op, stoffel! Leuk de tent afbreken hiero!" En hij hing alweer in de gordijnen. Moest ik eens proberen.

's Avonds was er vis. Omdat Joop er was. Dat eet ik anders alleen met Kerstmis.
"Voor het logeetje", kirde tante Hortensia en aaide Joop tot hij bijna kaal was.
Ik sliep die avond op een ouwe jutezak in de bijkeuken. 't Stonk er wel, maar ik was tenminste veilig voor Joop.


Ik werd wreed in mijn slaap gestoord.
Joop had me gevonden. Hij had me geniepig van achteren beslopen en me besprongen. Ik kreeg bijna een hartverlamming. Voor ik hem een mep kon geven was hij al weggesprongen. Die snotneus is lenig.
"Wat zijn dat voor manieren?" blies ik.
"Geintje, ouwe, geintje! Moet je tegen kunnen".
"Hou die geintjes maar voor je!" snauwde ik. Hij kneep zijn ogen half dicht en keek me grommend aan. Dat werd vechten. Nu ben ik geen held. Daarvoor ben je als kat niet in de wieg gelegd. Heldendom is meer iets voor honden. Lassie en Rintintin en zo. Ik blies nog een keer en glipte door het katteluikje naar buiten.
Tot mijn verbazing kwam hij me niet achterna. Dat was vreemd. Hij had wel zijn kop uit het luikje gestoken, maar hij keek doodsbenauwd naar de hemel en trok toen schielijk zijn kop weer terug. Ik had geen idee wat hem ineens mankeerde. Er was geen wolkje aan de lucht. Geen enge vogels of hommels.
Ik vertelde aan Poesjkin wat er gebeurd. was. Hij likte nadenkend zijn snorharen.
"Je zei dat hij uit de stad kwam?" vroeg hij.
"Ja, van een of ander benauwd bovenwoninkje".
Poesjkin knikte bedaard. "Ik weet wat er met hem aan de hand is. Hij is bang dat de hemel op zijn hoofd valt".
Ik geloofde mijn oren niet en schoot in de lach. "Wat?"
"Jazeker", zei Poesjkin beslist. "Dat komt wel vaker voor bij katten die nooit buiten komen".
Nu weet iedereen dat Poesjkin een echte intellectueel is, maar ik laat me niet alles wijsmaken! "Kom nou", zei ik lacherig.
"Ik zal het bewijzen", zei hij gekwetst.
"Hoe dan?"
"Dat zul je wel zien, antwoordde hij, nog altijd op zijn teentjes getrapt. "Morgen om deze tijd bij jou op het grasveld. En neem Mike mee".
"Waarom?"
"Zul je wel zien". Ik beloofde dat Mike en ik er zouden zijn. Voor het avondeten was er een prakje met vette jus. Lekker. Ik ben gaan slapen in de doos achter de grasmaaier. Hopelijk vindt Joop me niet.


Vroeg op. Na een haastig ontbijt van brokjes ben ik naar zolder gegaan om Mike te zoeken. Mike is een muis. Jaren geleden is hij op tante Hortensia's zolder komen wonen waar het hem nog altijd goed bevalt. Toen tante Hortensia Mike voor het eerst zag, slaakte ze een gil en haalde meteen een kat in huis. Dat was ik. Dat ik hier ben, heb ik dus aan Mike te danken. Ik kon het meteen al goed met hem vinden. Ik eet uit principe geen muizen.Dat vind ik onbeschaafd en Mike is het daarmee eens. We spraken af dat hij af en toe door het huis zou lopen, zodat tante Hortensia niet zou denken dat de plaag al achter de rug was. Door uitsloverig achter hem aan te rennen kon ik laten zien dat ik ook wat voor de kost deed. Wel heb ik Mike aangeraden om zijn keutels op te ruimen als hij op zakenreis naar de keukenkastjes is geweest. Als tante Hortensia ze ziet, krijg ik niet te eten. Ze denkt dat ik met dubbele energie op muizenjacht ga als ik honger heb. Bijgeloof. Ik legde Mike uit dat Poesjkin hem nodig had voor een experiment. Mike is altijd wel voor een verzetje te porren en deed meteen mee.We waren 's ochtends al vroeg buiten. Joop had niets in de gaten. De slijmerd had tante Hortensia gisteren de hele dag kopjes lopen geven, zodat hij nu met een verrekte nek op de sofa lag. Van de sofa kun je het grasveld goed in de gaten houden. Toen hij Poesjkin zag aankomen, stond hij op en ging nieuwsgierig voor de open tuindeuren zitten.
"Nu moet je opletten", zei Poesjkin. Hij gaf een teken aan Mike die op zijn dooie gemak op een meter van Joop voorbij kuierde. De lapjeskat uit de stad kreeg bijna een hartaanval. Zijn haren stonden recht overeind, zijn ogen rolden bijna uit hun kassen.
"D...daar! Een muis!" piepte bij en ijsbeerde achter de drempel heen en weer. Ik begreep nu wat Poesjkin me wilde laten zien. "Een muis?" riepen wij verbaasd. "Waar dan? Nee maar, je hebt gelijk. Vang hem!"
Joop wierp een scheef oog naar de blauwe hemel en legde zijn oren in zijn nek, maar hij verzette geen poot.
"Kun je geen muizen vangen?" hoonde ik. "Wat een slapjanus. Typisch een stadskat". Ik rende achter Mike aan en maakte veel misbaar alsof hij een verscheurend monster was. Tenslotte nam ik hem voorzichtig in mijn bek en liep ermee langs Joop. Hij dacht dat hij gek werd.
"Geef hier! Geef hier!" riep hij hebberig.
Ik peinsde er niet over. Ik bracht Mike naar Poesjkin en zette hem op de grond.
"Mmmm! Lekker!" riep Poesjkin luid. "Muis! Een dikke".
"Hela, let wel een beetje op wat je zegt, he?" mopperde Mike. Volslank is het woord".
"Ja heerlijk! Muis!" viel ik Poesjkin bij en we begonnen luid te smakken.
"Krijg ik niets?" jammerde Joop.
"Kom dan".
Toen kwam het hoge woord eruit. "Ik... ik durf niet".
"Waarom niet?" vroeg ik.
"Ik... ik... ik ben bang dat de hemel op mijn hoofd valt".
"Nou, wat zei ik je?" riep Poesjkin triomfantelijk.
Uiteindelijk werd de hebzucht Joop te machtig. Op doorgezakte poten en met zijn buik over de grond zette hij één voorzichtig stapje buiten de deur. Hij had zo veel moeite om zijn angst de baas te blijven dat hij niet in de gaten had dat Poesjkin hem stilletjes .van achteren besloop.
"BOEM!" zei Poesjkin vlak bij zijn oor. Joop jankte, sprong met alle vier zijn poten de lucht in. Toen schoot hij met een staart als een ragebol de kamer in en vluchtte onder het dressoir waar hij de rest van de dag niet meer onderuit te krijgen was.
Die avond at ik twee porties - ook die van Joop - Samba luxe dieet balletjes voor echte smulpoezen en ging tevreden op de bank slapen.


Joop ligt nog steeds onder het dressoir en tante Hortensia ligt er op haar knieën voor om hem er onderuit te krijgen. Maar Joop heeft liever een stuk hout boven zijn hoofd dan de hemel. Na de Sambaballen goed geslapen op het haardkleedje.


Ze hebben Joop opgehaald. "Hij kon hier niet aarden", zei tante Hortensia tegen Joops baas. "Toby deed zo vreselijk naar tegen hem".
's Middags ben ik bij Mike op bezoek gegaan om hem te bedanken. Ik heb een volkoren boterham voor hem meegenomen. Vindt hij lekker. Hij viel onmiddellijk aan, maar halverwege de korst hield hij plotseling op en keek me belangstellend aan. "Weet je wat ik me wel eens afvraag?"
"Nee".
"Hoe zou kat eigenlijk smaken?"


Dit is een historische dag! Ik heb het laatste blikje Tsjomp uit Tante Hortensia's voorraad naar binnen gewerkt. Afwachten wat ik nu te eten krijg. 's Middags, na de wandeling zat ik met Poesjkin in het gras en keek naar boer Zult die aan het hooien was. Hij had een rooie kop van inspanning en zweette als een paard.
"Wat is de natuur toch mooi, he?" zuchtte Poesjkin met een blik op de zwoegende boer.
"Oh ja?" Ik ben niet zo'n natuurliefhebber. "Is hij een nest aan het bouwen met al dat dorre gras?" vroeg ik.
Poesjkin schudde zijn hoofd. "Hoe kom je daar bij? Boeren nestelen toch nooit in deze tijd van het jaar?"
"Oh", Zei ik. Hoe kon ik dat nou weten?
"We krijgen bezoek", zei Poesjkin na een tijdje. Over de weg kwam de prinses aangewandeld. Haar pluimstaart stond sierlijk in een krul, haar vacht glansde. Ik zuchtte diep. Poesjkin ook, maar uit spijt. Hij is geholpen.
"Dag mannen!" begroette ze ons. Poesjkin keek verguld en rolde zich op zijn rug.
"Er komen nieuwe mensen op nummer acht", zei ze terwijl ze gezellig tegen me aan schoof. "Er stond een verhuiswagen voor de deur".
"Hebben ze een hond?" wilde Poesjkin weten.
"Ik weet het niet", zei ze en kroop nog dichter tegen me aan. Ik begon het langzamerhand knap warm te krijgen van die dikke vacht van haar maar ik durfde me nauwelijks te verroeren. Straks dacht ze nog dat ik vond dat ze stonk of dat ik haar niet mocht. Pfff, wat had ik het benauwd, maar de liefde eist nu eenmaal offers. 's Avonds waren er Mau-Mau tijgerbrokjes met echte jus. Iets nieuws. Niet slecht.
Op de wasmachine geslapen.

en  
Het regende beide dagen. Uit verveling heb ik een beetje televisie gekeken. Voor het nieuws heb je altijd reclame. Nu ook. Een walgelijk aanstellerige roodharige kat prijst blikjes van het gehate merk Tsjomp aan. Zo'n beest is een verrader van zijn soort.
Hij viel uitgehongerd op de vuiligheid aan en smakte dat je de brokken om de oren vlogen. Je had haast gedacht dat de aansteller zalm zat te eten in plaats van die narigheid!
"Kijk", zei tante Hortensia, "dat poesje eet wel altijd netjes zijn bakje leeg". Ze keek me veelbetekenend aan. Somber staarde ik naar de aansteller. Als ik die in mijn poten zou krijgen... Mau-Mau gegeten en op de bank geslapen.


De zon scheen weer, maar ik sliep nog even door. Je weet het in dit land nooit. Voor je er erg in hebt, regent het weer. Toen ik voorde tweede keer wakker werd, kreeg ik een rolberoerte van schrik. Ik deed mijn ogen open en keek recht in het gezicht van die walgelijk aanstellerige kat van de televisie-reclame. Ik heb een nachtmerrie!
dacht ik in paniek. Ik kneep mijn ogen dicht en deed ze weer open. Hij was er nog.
"Hee, wakker worden", riep hij. "Blijf je altijd snurken als er iemand is?"
"Ik snurk niet", zei ik zo waardig mogelijk, maar hij hoorde het al niet meer. Hij was op de eettafel gesprongen - streng verboden! - en keek verveeld om zich heen. Hij was duideijk iets beters gewend dan het bedoeninkje van tante Hortensia.
"Hee, valt er niets te bikken in die tent hier?" vroeg hij.
"Hoe zo, bij de televisie krijg je toch genoeg?" Hij staarde me aan alsof ik een of ander smerig insekt was. Ik wilde nog een snedige opmerking maken toen in de keuken de koelkastdeur openging. Hij liep de fruitschaal omver, sprong van tafel en stoof naar de keuken. Als je niet beter wist zou je denken dat hij uitgehongerd was. Met tegenzin ging ik hem achterna. Ik was nog in de gang toen ik tante Hortensia verrukte gilletjes hoorde slaken.
"Oh! Wat een dotje! Jij bent het wollebolletje van de nieuwe mensen van hiernaast, he?"
Wollebolletje. Tante Hortensia heeft een eigen kijk op het dierenrijk. Ze had hem niet als de kat van de televisie herkend. Dat verbaast me niet: volgens mensen lijken wij allemaal op elkaar. Ik bleef op de drempel zitten en bekeek vol afkeer het tafereeltje in de keuken. De reclamekat liep luid snorrend rondjes om Tante Hortensia te draaien, zijn staart als een stok in de lucht. Ik zag meteen dat hij niet ´geholpen' was. Tante Hortensia zette mijn eten neer waar die rooie indringer meteen van begon te schrokken.
"Kom Toby, eet wat. Straks is het op", zei ze en verdween naar buiten.De reclamekat smakte niet alleen op de televisie. Misschien hebben ze hem genomen omdat hij een natuurtalent is, dacht ik, want zo iets kun je niet leren.
Gehinderd keek hij op van mijn eten. "Wil je me alsjeblieft niet zo aanstaren als ik eet?" mopperde hij met volle mond. Dat is het toppunt. Een kat die voor een miljoenenpubliek staat te smakken voelt zich gehinderd omdat ik in m'n eentje hem aankijk! De maat was vol! Ik maakte rechtsomkeert en liep de keuken uit, naar buiten. Op het grasveld bleef ik staan. Zal ik weglopen? vroeg ik mezelf af. Ver weg van iedereen een nieuw leven beginnen! Ergens in de stad, of als verwilderde boskat. Het begon zachtjes te regenen. Ik stoof de bijkeuken in. Enfin, als het de spuigaten uitliep, kon ik altijd nog weglopen.
Later toen het droog was, ving ik een worm, maar hij zag er niet erg lekker uit, zodat ik hem maar weer liet lopen. Met lege maag gaan slapen.


Toen ik 's ochtends door het luikje de bijkeuken in glipte, was de reclamekat in geen velden of wegen te zien. Ik at al de brokjes op die er nog stonden en rende naar de prinses om haar over de roodharige smakker in te lichten. Ze zat in het zonnetje en waste zich. Bokma was er ook. Hij lag een eind verderop, bijna onzichtbaar in het hoge gras. Je zag dat hij er was, want er hing een kluitje vieze bromvliegen boven de plek waar hij lag. Dat is normaal bij hem.
"Heb je die nieuwe van nummer acht al gezien?" vroeg ik al van ver aan de prinses. "Het beste is als we maar net doen alsof hij niet bestaat", zei ik.
De prinses hield op met wassen. "Wie?" vroeg ze verbaasd.
"Die rooie, van nummer acht".
"Je bedoelt Charles? Van de televisie? Wat een dotje, he?" zei ze vertederd.
De wereld draaide voor mijn ogen en werd toen zwart. Charles heet het beest en ze vond hem een dotje. Dat roodharige, aanstellerige Tjomp-mormel viel bij mijn prinses in de smaak. Ik was een gebroken kat. Ik draaide me om, struikelde over Bokma en zijn vliegen en rende weg.
"Hee, kun je niet uitkijken, dot poetskatoen?" riep Bokma me na.
Ik deed net alsof ik het niet hoorde. Bij de hazelaar waar Bokma altijd zijn achterpoot optilt overwoog ik of ik links- of rechtsaf zou slaan. Linksaf was naar huis, rechtsaf de wijde wereld in. Ik koos linksaf. Ik had honger en de wereld was wel heel erg wijd. Die avond at ik met lange tanden een beetje Mau-Mau, maar ik deed geen oog dicht. Wat als ik naar Siam of Egypte zou gaan? In Egypte waren katten heilig had Poesjkin me wel eens verteld. Als ik daarheen zou gaan zou ik me na een lang en avontuurlijk leven heilig laten verklaren. Overladen met roem en eer zou ik terugkeren op de Lommerweg 10.
Op televisie zouden ze avondvullende programma's aan me wijden: Toby-hotep; de heilige kater. Of: Toby, de Kat die Farao werd! Er zou een film over mijn leven gemaakt worden waarin ik voor eens en voor altijd zou afrekenen met smakkende reclame-katten. Ik zou intiem bevriend raken met de hofpoes van de keizer van Siam en ik lag bij de president van de Verenigde Staten op schoot. Als er een belangrijke beslissing genomen moest worden, maakte ik hem wakker en fluisterde hem in wat hij moest doen. Natuurlijk zou ik die del van een prinses verder geen blik meer waardig keuren. Die moest het verder maar met de katten van de reclame doen. Eindelijk viel ik in slaap. Maar ik had minder goed geslapen als ik had geweten wat me de volgende dag te wachten stond.

tot en met
Ik had de smoor in. De hele dag draait Charles, de kat van de t.v.-reclame, om tante Hortensia heen. Hij eet als een vogeltje uit haar hand en spint tot zijn motor roodgloeiend is. Hij moet zo langzamerhand schele hoofdpijn hebben van het kopjes geven. Maar tante Hortensia vindt het allemaal enigjes. Zo zijn mensen nu eenmaal.


Charles was vanmorgen al vroeg present.Hij kuierde op zijn gemak door het huis alsof het van hem was. Mij keurde hij geen blik waardig. Na een tijdje kwam hij de zitkamer in. "Waar is dat dikke mens?" wilde hij weten.
"Bedoel je tante Hortensia?"
"Oh, heet ze zo? Waar is ze? Ik heb trek in iets lekkers".
Ik gromde vol minachting. "Slijmbal!" zei ik uit de grond van mijn hart.
Koeltjes bekeek hij me van kop tot staart. "Weet je wel tegen wie je spreekt?" vroeg hij uit de hoogte. "Ik ben op de t.v. geweest. Ik ben als kat een bekende Nederlander en jij bent niks. Niemand kent je. Dus wat meer respect graag".
Mijn mond viel open van verbazing. Het duurde een minuut voor de betekenis van zijn woorden eindelijk tot mij doordrong. Ik kreeg een rood waas voor ogen. Al mijn haren gingen recht overeind staan.
"Jij kapsoneslijer!" blies ik en voor ik er erg in had had ik me boven op hem gestort. Tenminste, dat dacht ik. Maar hij had me aan zien komen en was behendig op de tafel gesprongen. Ik gromde en blies van woede. Daardoor merkte ik niet dat tante Hortensia intussen de kamer was binnengekomen.
"Jongens, geen ruzie maken!" zei ze boos. "Vooral jij, Toby! Zo lijk je net een ordinaire straatkat". Ze tilde Charles op en begon hem te knuffelen. Bah! Ik kon het niet meer aanzien en verliet zo waardig mogelijk de kamer.
Ik lag op de jutezakken in de bijkeuken wat te soezen toen ik wakker schrok, doordat ik Charles hoorde kijven en blazen. Het klonk alsof ze op het punt stonden hem te vermoorden. Ik rende de woonkamer in om te zien wat er aan de hand was, maar ik zag hem nergens. Tante Hortensia was aan het stofzuigen en praatte tegen het dressoir. "Je moet je niet zo aanstellen", mopperde ze, "zo'n stofzuiger zal je heus niet bijten". Ik keek onder het dressoir. Toen mijn ogen aan het donker gewend waren, zag ik Charles, weggekropen in een hoekje. Hij was doodsbang en had zijn oren in de nek gelegd en zijn staart was zo dik als een pleeborstel. "Een monster!" jammerde de t.v.-kat boven het geluid van de stofzuiger uit. "Ben je dan niet bang, Toby? Straks zuigt hij je op".
"Een monster?" vroeg ik verwonderd. "Waar dan?
"Daar, naast je!"
"Oh, bedoel je de stofzuiger?" Voor dat ding ben ik niet bang. In een opwelling sprong ik boven op de stofzuiger en liet me fier als een prins te paard door tante Hortensia de kamer door rijden.
"Gekkie", zei ze vertederd. Vanuit mijn schuilplaats volgde Charles met grote angstogen al onze bewegingen. Toen we tenslotte bij het dressoir kwamen, slaakte hij een gil en rende het huis uit.
"Snap jij dat nou?" vroeg tante Hortensia. Ik knipoogde en maakte 't mij gemakkelijk op de stofzuiger. Van Charles was ik tenminste bevrijd.
Na het stofzuigen gaf tante Hortensia me eten. Voor het eerst kreeg ik Tommy's vleesbanket. Niet slecht. In de boekenkast geslapen.


's Ochtends vroeg op. Na een paar brokjes ben ik naar buiten gegaan. Het was mooi weer en ik was nog steeds in mijn nopjes over de manier waarop ik Charles uit huis gejaagd had. Nu Charles weg was, kon ik weer wat meer werk maken van Silly. Op het hek van boer Zult waste ik me uitgebreid. Zou ze me gemist hebben? vroeg ik me af. Ik liep net van het Boslaantje de Melkweg op toen ik hond Bokma en Silly tegenkwam. Ze hadden haast. Ah, wat was ze mooi! En wat zwaaide ze sierlijk met haar staart! Voor mij was ze een echte prinses.
"Hallo Silly...", begon ik.
"Weet je 't al?" riep ze opgewonden.
"Wat?" vroeg ik.
Ze sperde haar ogen wijd open. "Wéét je het dan niet?"
"Wat moet ik weten?"
"Toby weet nooit wat", smaalde Bokma, "die ligt immers de hele dag te snurken?"
"Charles is aangevallen door een vreselijk monster!" riep Silly terwijl ze doorrende. "Hij moest een boom invluchten en kan nu niet meer naar beneden".
Verbijsterd rende ik achter haar aan. "Een monster?"
"Ja! Hij had een heel lange nek met een brede muil en hij loeide vreselijk".
"Een draak", zei Bokma deskundig.
Silly knikte heftig. "Charles heeft gevochten als een leeuw, zei hij. Maar zelfs hij kan niet tegen draken op ook al is hij op de televisie geweest".
"Je bedoelt de stofzuiger", zei ik.
Silly hield even de pas in. "Bah, Toby, dat valt me nou echt van je tegen. Je zit altijd op Charles te vitten. Je bent jaloers op hem".
"Ik ben helemaal niet jaloers, sputterde ik tegen. "Maar ik heb zelf gezien dat hij..."
"In elk geval is de politie erbij en de brandweer en die komen niet als er niets aan de hand is", viel ze me in de rede.
"De televisie is er ook", grijnsde Bokma. "Het komt natuurlijk niet elke dag voor dat een beroemde t.v.-kat in de boom zit".
"Oh", zei ik mismoedig. Charles had een mooie, grote eik uitgezocht. Hij zat op een dikke tak en mauwde hartverscheurend. Zijn bazin - van nummer acht - en tante Hortensia stonden handenwringend onder de boom. Brandweerlieden waren bezig een ladder uit te schuiven en de televisieploeg was druk in de weer met kabels uitrollen. Intussen hield de politie de nieuwsgierigen op afstand. Poesjkin was er ook. Toen hij ons ontdekte kwam hij naar ons toe.
"Wat een held, he?" zuchtte Silly terwijl ze naar Charles omhoog blikte.
"Waar is de draak nou?" vroeg Bokma terwijl hij om zich heen keek.
"Dat was geen draak en ook geen monster, maar een stofzuiger", probeerde ik nogmaals uit te leggen.
"Bah! Je bent jaloers, daarom doe je zo flauw", zei Silly snibbig en keerde me haar wollige achterste toe. Ik zuchtte. Silly heeft het wolligste achterwerk van heel de wereld, dat wel, maar ik zie haar toch liever van voren. Poesjkin trok diepe denkrimpels in zijn voorhoofd. "Misschien was het een zuigosaurus", zei hij. "Dat zijn draken die op stofzuigers schijnen te lijken", merkte hij ernstig op.
"Begin jij nu ook al?" vroeg ik kwaad. Ik besloot de redding van de nieuwbakken drakendoder niet meer af te wachten en slofte naar huis. Ik was diep beledigd. Niemand geloofde me. Als Silly nu maar een keer... Ach nee, dat had toch geen zin. Op zolder kroop ik weg in een donker hoekje. Mijn leven had geen zin meer. Met die neerslachtige gedachte viel ik in een diepe slaap.


's Middags at ik een paar brokjes en sloop weer naar zolder. Tegen de avond werd ik gewekt door Mike de muis. Mike is een oude vriend van me. Af en toe ren ik achter hem
aan door het huis om tante Hortensia een plezier te doen. Ze heeft het malle idee dat katten en muizen zo iets af en toe horen te doen.
"In de piepzak, Toby?" vroeg Mike.
Ik vertelde hem van Charles' vlucht voor de stofzuiger en hoe hij
die nederlaag toch nog in zijn voordeel had weten te verdraaien.
Mike luisterde aandachtig. Toen ik klaar was met mijn verhaal snoof
hij luidruchtig. "Vertel mij wat", zei hij. "Gasten als die Charles kom
je overal tegen. Let op mijn woorden, die Charles van jou eindigt
nog eens in de politiek".
"Het is mijn Charles niet", protesteerde ik.
"Eerst zijn smoel op de buis en daarna van een stofzuiger een draak maken...", zei Mike veelbetekenend. "Ik had een neef en die was precies zo".
Ik zuchtte. Als Mike eenmaal over zijn neven begint... Hij heeft er een stuk of duizend. Het precieze aantal weet hij zelf niet eens.
"Geknipt voor de politiek, die neef van me", vervolgde Mike. "Maar ja, tijdens een verkiezingstoernee op het platteland loopt die sukkel een uil in de klauwen. Toen was 't natuurlijk uit met de pret. Maar nu ik het toch over de politiek heb... Ik heb nog die andere neef..."
Hoe het Mike's andere neef verging weet ik niet. Ik dutte in en droomde dat ik hoog in een boom zat en dat Silly mij bewonderde.


Het is een geluk bij een ongeluk dat Charles geen poot meer in ons huis durft te zetten. Ik heb hem tenminste niet meer gezien. Later op de dag kwam ik Bokma tegen. Hij stond met opgetilde achterpoot bij zijn lievelingsboom. "Hallo", zei hij zonder zijn poot neer te zetten. Honden hebben geen manieren. "Die Charles zien we voorlopig niet terug, Toby", zei hij toen hij weer op vier poten stond.
"Hoe zo", vroeg ik.
"Zijn redding is op de t.v. geweest", legde Bokma uit.
"Nou en?" "Ze hebben alles uitgezonden", vervolgde hij. "Van het begin tot hij er door twee brandweerlui uitgehaald werd.Toevallig zag een of andere filmproducent de uitzending en die heeft Charles meteen een rol aangeboden in zijn nieuwe film. Silly is helemaal uit haar bol gegaan. Ze is smoor op hem". Hij keek me vol leedvermaak aan. "Dat zul jij wel niet zo leuk vinden, he? Ha! Ha! Ha!".
Ik zei niets.
"Wat is er, ben je ziek? Je staat erbij als een dot poetskatoen".
"Ik voel me best", mompelde ik ellendig en maakte rechtsomkeert. Onderweg naar huis vroeg ik me af wat voor film het zou zijn waarin Charles een rol zou gaan spelen. Hopelijk is het een film over een kattemepper, dacht ik wraakzuchtig. Met lange tanden werkte ik het restje Tommy's vlees- banket naar binnen en vroeg me af of ik toch maar niet weg zou lopen. Uiteindelijk besloot ik te blijven. Sinds tante Hortensia het huis schoonmaakt met een "draak" heb ik immers geen last meer van Charles?


Laat opgestaan met een leeg gevoel. Met lange tanden heb ik wat brokjes naar binnen gewerkt. Ze smaakten naar karton. En het lege gevoel ging er niet van over. Het was weer zo'n dag. Iedereen was druk in de weer of had iets om handen. Tante Hortensia lapte de ramen, boer Zult was aan het hooien, vogels vlogen af en aan om hun jongen te voederen, koeien stonden in de wei te loeien omdat ze hun uiers al weer vol hadden. Zelfs Bokma, het luiste varken van de hele Melkweg, had het druk. Hij had die ochtend de postbode al in de broek gebeten en stond nu met blikkerende tanden op de melkboer te wachten.
En ik? Ik deed niets. Ik weet het zeker: ik ben het overbodigste dier dat er bestaat. Tussen mij en Silly, mijn Perzische prinses, kan het nooit iets worden. Wat heb ik haar te bieden? Wat voor vooruitzichten heb ik nou? Ik ben zelfs te lui om me te wassen. Ik ben een nietsnut. Na het middagdutje kroop ik onder de heg door en liep lusteloos het bospad een eindje op. Mieren renden ijverig heen en weer, bijen vlogen af en aan, de specht timmerde tot zijn kop er bijna afvloog. Neerslachtig bleef ik bij een spinneweb staan. De eigenares zat in haar web te dommelen. Ah, ook zo'n nietsnut. die denkt dat de vliegen haar zomaar in de mond vliegen.
"Luiwammes", zei ik bestraffend. "Zou je niet eens wat gaan doen?" Ze opende een oog en staarde me vernietigend aan. "Moet jij nodig zeggen", zei ze. "Dat wandelt maar, dat kuiert maar, maar werken, ho maar!"
Ik was in mijn wiek geschoten. "Jij doet anders ook niet veel", merkte ik
"Ik zit in de textiel..." begon ze.
"Te slapen", vulde ik aan en vond mezelf wel grappig.
Ze deed alsof ze het niet gehoord had. "Ik weef en knoop de hele dag", vervolgde ze. "Eén recht, twee averecht. Drie keer bekroond voor het beste web, uitgeroepen tot topspin door de Verenigde Nederlandse Spinnerijen. Mag ik alsjeblieft even een tukje doen?"
Ze had gelijk. Ze was een ijverig dier, een sieraad voor de maatschappij. Beschaamd boog ik het hoofd en sjokte naar huis. 's Avonds brokjes. Nog wat geproefd van een nieuw merk: Goermetties voor de poes. Ze smaken naar tennisballen met jus.. In de boekenkast geslapen; je kunt nooit weten wat je er nog van opsteekt.


Mijn leven is nog altijd zinloos. Ik merkte het meteen toen ik opstond: op deze wereld ben ik overbodig. In somber gepeins verzonken kwam ik de keuken binnen. Ik was zo verdiept in mijn ellende dat ik niet op tante Hortensia lette die bezig was een pan soep van het aanrecht naar het fornuis te transporteren. Zoals gewoonlijk lette ze niet op waar ze liep. Voor ik opzij had kunnen springen lagen we allebei in de soep. Tante Hortensia gilde het uit van woede: "Toby! Rotkat! Nietsnut! Waarom moet je me altijd voor de voeten lopen? Maak dat je wegkomt!" Ik was al weg.
Die avond niets gegeten. Op een stil, donker plekje op zolder heb ik de soep uit mijn vacht gelikt. Ik ben ongelukkig. Goede soep overigens.



Ik probeerde het vandaag weer wat goed te maken met tante Hortensia, maar ze wilde niets van me weten. "Weg jij", zei ze kribbig terwijl ze me van haar schoot duwde. "Je hebt mijn heerlijke soep over de grond gegooid. En dat terwijl buurman Natjes komt eten. Eigenlijk zou ik je naar het asiel moeten brengen!"
Ik schrok me dood. Ik had hier en daar wel eens iets over het asiel gehoord. Wat ze er precies met je deden wist ik niet, maar dat het er niet leuk was stond als een paal boven water. Ik ging in de vensterbank zitten. Naar het scheen zou buurman Natjes komen eten. Ik wist niet dat hij en tante Hortensia zo dik met elkaar waren. Buurman Natjes is de baas van Bokma. Ze lijken sprekend op elkaar. Dat heb je wel vaker met honden en hun bazen. Al vanaf een uur of vijf liep tante Hortensia om de haverklap naar het raam om te zien of Natjes er al aankwam. Tegen zes uur werd er gebeld. Natjes. Hij rook naar bloemetjes. Dat is heel ongewoon. Meestal ruikt hij naar jenever en pissebedden. Zijn rode neus glom. Onder zijn arm had hij een doos rumbonen, die hij die avond zelf nog helemaal zou opeten.
"Oh hemeltje", kraaide tante Hortensia toen ze haar buurman op de stoep zag. "Wat een verrassing". Huichelaarster, dacht ik. Je wist best dat hij zou komen. Toen ik 's avonds thuiskwam van een wandelingetje zaten Natjes en tante Hortensia naast elkaar op de bank. Het gesprek wilde niet erg vlotten. Natjes' neus was nog roder geworden van zijn eigen rumbonen. Toen Natjes me zag betrok zijn gezicht. "Er komt een kat binnen", zei hij met een vies gezicht. "Heb jij een kat, Hortensia?"
"Och, het is Tobiasje maar", suste ze.
"Ik heb het niet zo op katten begrepen", mopperde Natjes. "M'n zuster die bij me inwoont heeft er ook een. Silly heet het mormel. Het is zo'n wandelende bordenkwast. Je kent dat wel: overal haren. In de soep, op je stoel, op je goeie goed... Overal. Geef mij maar 'n hond. Dat zijn tenminste nuttige beesten. Maar katten..."
Tante Hortensia knikte en prikte met haar vorkje in de mokkapunt waaraan ze bezig was. De verraadster! Waarom komt ze niet voor me op? Waarom zet ze die kale neet niet het huis uit? Ik draaide me om, stak mijn staart in de lucht en schreed zo waardig mogelijk de kamer uit.
Bah! Mensen!


Ik heb nagedacht. Wat als Natjes bij tante Hortensia gaat wonen? Dat kan toch? En wat als ze jongen krijgen? Misschien brengen ze de kat dan wel naar het asiel. Dat is per slot van rekening toch maar een nutteloos beest. Ik vroeg Mike de muis om raad. Of hij wat wist. Mike haalde zijn schouders op. "Ik weet niets. Het spijt me, jongen", zei hij. "Als ze je naar het asiel brengen heb je pech gehad. Er is een tijd van komen en er is een tijd van gaan. Je kunt altijd nog weglopen als het zover is".
"Als ik me maar niet zo nutteloos zou voelen", verzuchtte ik. "Dan zou m'n ongeluk nog wel te dragen zijn". Ik kreeg een idee. "Als ik eens wat vaker achter je aan zou rennen. Dwars door de salon. Dan zou ze zien dat ik nuttig ben. Ik zou je bijvoorbeeld echt kunnen vangen. Vlak voor hun neus, als ze op de canapé zitten".
Mike sprong op. "Ben je gek?" vroeg hij geschrokken. "Daar komt niks van in! Bovendien", voegde hij eraan toe, "heeft mijn psychiater me die fratsen verboden. Hij heeft me dringend aangeraden de rollen eens om te keren".
Ik staarde hem ongelovig aan. "Je psychiater?"
"Jazeker. Een neef van mij..."
"Ja ja, laat maar", viel ik hem in de rede. Ik ken Mike's neven. Hij heeft er een paar duizend. "Wil die neef dat jij achter mij aanrent?"
"Precies. Waarom ook niet? Waarom moeten katten altijd achter muizen aanrennen? Zeg nou zelf. Waarom mogen muizen nooit eens op de kat jagen? Nou?"
"Ik... eh...". Ik wist het niet. "Ja, nu sta je met de mond vol tanden, he?" riep hij triomfantelijk. "Wanneer mag ik jou 'ns vangen? Dat is goed voor mijn zelfvertrouwen. zegt mijn psychiater".
Ik besloot het op een andere manier te proberen. "Maar wij huisdieren moeten toch één lijn trekken tegenover de mensen?"
Mike fronste zijn wenkbrauwen. "Huisdieren?" zei hij. "Dat gaat misschien voor jou op. Jij bent tam, maar ik, ik ben wild". Fier sloeg hij zich op de borst. "Ik heb geen baas. Ik ben een vrije muis. Maar misschien moet je toch eens met mijn neef praten. Het kost je wel wat, maar 't is de moeite waard".
"Nee dank je", mompelde ik.
"Misschien helpt acupunctuur", zei hij hulpvaardig. "Ik heb een andere neef die..."
Ik maakte dat ik wegkwam. 's Avonds een prakje van gisteren met jus van de bazin. Eten dat Natjes heeft laten staan. Er zat een raar luchtje aan. Was het knoflook? Later op de avond kreeg ik het zuur. Goed geslapen.

en
Ik ben nog steeds neerslachtig. Af en toe kijkt tante Hortensia me heel eigenaardig aan. Of beeld ik me dat maar in? Misschien moet ik toch maar naar een van Mike's neven.


Ik trof Poesjkin aan op het hek van boer Zult. "Poesjkin? Mag ik je wat vragen? Zijn katten nutteloze dieren?"
Poesjkin rekte zich uit en schudde het hoofd. "Hoe kom je daarbij?" wilde hij weten. "Wij katten hebben helemaal geen nut nodig. Wij kunnen zonder. Het is voldoende dat wij er zijn".
Maakte hij een grapje? "Dat moet je eens aan tante Hortensia vertellen", zei ik. "Die denkt daar heel anders over. Ze vindt me een nietsnut en wil me naar het asiel brengen". Dat laatste was niet helemaal waar, maar wel bijna.
Minachtend trok Poesjkin zijn snor op. "Mensen zijn op aarde om de kat te dienen", verklaarde hij plechtig. "Zij zijn op aarde om ons ons dagelijks blikje te geven. En om ons te bewonderen".
"Oh", zei ik enigszins uit het veld geslagen. "Meen je dat echt?"
"Ja. Wij katten zijn er alleen voor het mooie. Daarom willen de mensen ook graag bij ons wonen. Ze vinden ons mooi. Wij zijn sierlijk en lenig. Mensen kunnen niet eens op vier poten lopen zonder dat je in de lach schiet. Wij hebben een vacht van glanzend bont, mensen zijn kaal. Wij zien in het donker. Mensen zijn blind als pasgeboren jongen. Ze lopen overal tegenaan. Wij zijn perfect. Wij zijn de kroon der schepping. Volmaaktere dieren dan wij bestaan er niet!"
Ik keek hem nieuwsgierig aan. Wij katten volmaakt? Poesjkin is een aardige kerel al draaft hij wel eens door, maar volmaakt? Ik wist wel wat er aan hem mankeerde.
"Ook als je 'geholpen' bent zoals jij?", vroeg ik pesterig.
Poesjkin was even stil. Toen slaakte hij een diepe zucht. "Oh, dat", mompelde hij nors. "Als ik op m'n staart zit ziet niemand er wat van".
Thuis zette tante Hortensia me balletjes voor van het merk Tsjomp. Ze moet me wel erg haten dat ze me dit eten geeft! Alles laten staan en vroeg gaan slapen in de boekenkast.


Ik heb lang over de woorden van Poesjkin moeten nadenken. Eerlijk gezegd zou ik er uit mijzelf nooit op gekomen zijn dat wij katten eigenlijk volmaakt zijn en dat we daarom niet hoeven te werken zoals de andere dieren. 's Ochtends ben ik meteen naar de slaapkamer van tante Hortensia gegaan. Ze heeft een grote brede spiegel op haar kaptafel waar ze helemaal in past. Ik sprong op het krukje en bekeek mezelf op mijn gemak.
Ik vond dat ik inderdaad niet voor de poes was. Bij wijze van spreken dan, want als kater ben je natuurlijk altijd voor de poes. Ik heb een mooie vacht, ik kijk helder uit mijn ogen al zeg ik het zelf, mijn staart heeft een mooie krul als ik even moeite doe, en mijn neus is een leuk bruin driehoekje. Als kat ben ik zeker goed geslaagd. Alleen jammer dat Silly, mijn prinses, daar niet van overtuigd is. Misschien moet ik wat zelfbewuster optreden om duidelijk te laten zien dat wij katten de kroon der schepping zijn. Zo noemde Poesjkin het tenminste. Ik waste me langer en grondiger dan normaal, Toen ik klaar was at ik maar een paar brokjes - ik moet nu ook op mijn lijn letten - en ging naar buiten. Ik ging niet via het gat in de heg. omdat mijn zorgvuldig gewassen vacht dan in de war zou raken. Eenmaal op straat stak ik mijn staart in een krul en liep - nee, schreed - zo elegant mogelijk de Lommerweg af. Ik vond dat ik zeker geen slecht figuur sloeg. Ik zette mijn poten keurig voor elkaar neer en hield mijn staart mooi in de krul. Ah. wat is het toch aangenaam om volmaakt te zijn! Uit mijn ooghoeken zag ik Silly bij Natjes tussen de cactussen voor het raam zitten. Ik voelde hoe ze me nakeek. Mijn snorharen krulden van genoegen.


Na het ontbijt een ochtendwandeling. Bij de hazelaar trof ik Bokma, die bezig was te inspecteren wat andere honden daar gedaan hadden. "Viespeuk", zei ik in het voorbijgaan. Hij keek op, maar ik liep hem met de neus in de wind voorbij. Haastig tilde hij zijn poot op tegen de hazelaar en kwam me daarna achterna.
"Wat loop jij tegenwoordig verwaand rond te paraderen", mopperde hij. "Ben je van adel geworden of zo?"
Ik bleef staan. "Nee, dat is mijn nieuwe zelfbewustzijn", antwoordde ik uit de hoogte.
"Je nieuwe wat?" vroeg hij verbluft. "Sinds kort ben ik mij bewust geworden dat wij katten bijzondere dieren zijn".Hij was te verbouwereerd om iets hatelijks terug te zeggen. "Wij katten zijn de kroon der schepping", legde ik minzaam uit. "Wij staan niet onder hazelaars aan andermans hoopjes te ruiken. Zo zijn wij niet. Wij zijn voornaam. Ik hoop dat je het niet erg vindt dat ik doorloop. Het is slecht voor mijn naam wanneer ik te veel in jouw gezelschap word gezien".

Ik liep waardig het Rozenlaantje in, verbijsterd nagestaard door Bokma. Ik trof Poesjkin die naar twee mannen van de gemeente zat te kijken, die bezig waren een spandoek over de weg te spannen. "Wat staat erop?" vroeg ik.
"Grote Fancy Fair Voor Het Goede Doel", las hij.
"Wat is een 'fensiefer'?" informeerde ik.
"Een soort markt", verklaarde Poesjkin. "De mensen halen allerlei oude rommel van zolder om die aan andere mensen uit de straat te verkopen".
"En wat doen die ermee?", vroeg ik.
"Die brengen het naar zolder zodat ze iets te verkopen hebben als er weer een fancy fair gehouden wordt. Dat is nogal wiedes".
"Oh", zei ik. Van mensen begrijp ik niets. Thuis at ik aardappels met jus en ging vroeg slapen. Dat is goed voor je teint.


Tante Hortensia heeft mijn nieuwe zelfbewustzijn ook bemerkt. Ze zat op de sofa en keek aandachtig toe hoe ik me waste en waste en waste. "Wat is er toch, kereltje?" vroeg ze bezorgd."Waarom was je je toch de hele tijd?"
Ik kromp ineen. "Kereltje", IK de kroon der schepping. Wanneer zullen de mensen ons ooit begrijpen?
"Je hebt toch geen vlootjes?" Voor ik er erg in had, had ze me opgepakt en op schoot gezet. "Waar is het vlootje dan?" murmelde ze terwijl ze mijn vacht, die ik net zorgvuldig glad en glanzend had gelikt, uit elkaar begon te plukken. Ik gromde van woede, maar tante Hortensia wist van geen wijken. Toen ze even niet oplette wist ik me uit de voeten te maken. Tot mijn verbazing kwam ze me achterna. Gek, dat doet ze anders nooit. Als ze me per se wil spreken rammelt ze met het snoepdoosje.
Ik keek over mijn schouder. Ze had een purperrood hoofd en hield met beide handen haar buik en haar boezem vast. "Toby! Hierrr!"
Maak het nou, ik ben geen hond! Ik was zo verontwaardigd dat ik niet uitkeek waar ik heenging. Te Iaat kreeg ik door dat ik een doodlopende gang was ingerend. Tante Hortensia zette me op tafel en begon me met de centimeter uit het naaimandje na te meten. Zou ze weer zo'n vreselijk jasje voor me willen breien? Ik huiverde. Nadat ze mijn maten had opgenomen, knikte ze tevreden. "Prachtig. Bijna zoals het hoort", zei ze. Ze zuchtte diep en keek me ontroerd aan. Ik had geen idee wat deze vertoning te betekenen had, maar als tante Hortensia zo kijkt dreigt er altijd onraad. Ik at haastig wat brokjes. Een nieuw merk, Skrontsj Knabbel- debabbels met Echt Wild. Smaken naar karton. Buiten bereik van Tante Hortensia geslapen.


Ik heb tante Hortensia zo veel mogelijk ontlopen. Het bevalt me niet zoals ze me bekijkt.


Het regent. Met Mike de muis t.v. gekeken. Er was
"Tom en Jerry", Mike's lievelingsprogramma. Ik vond er niet veel aan. Waarom moet die muis met die rare oren en die zoetsappige oogjes altijd winnen? Mike is een beste kerel, maar ik voel me telkens diep gegriefd wanneer hij zich doodlacht als die kat weer eens een klap op zijn hersens krijgt. Ik zal hem toch eens uitleggen dat dit programma op den duur niet goed is voor onze vriendschap.
"Wat een kerel, he?" zuchtte Mike bewonderend toen Jerry Tom met dynamiet had opgeblazen.
"Wie bedoel je?" vroeg ik zuinig.
"Jerry, natuurlijk!"
"Oh. Vind je?"
"Wat dacht jij dan? De muis van het jaar 1989! Hij heeft Mickey Mouse, eeuwenlang nummer één, van de eerste plaats verdrongen. Mijn nichtjes zijn gek op hem. Ze hebben het hele huis vol Jerry-posters hangen. Mijn kleindochters willen met hem trouwen als ze groot zijn".
"Kleindochters?" vroeg ik verwonderd. "Ik wist niet dat jij kleindochters had".
"Oh, een paar honderd maar", zei hij nonchalant. Hij nam een hap van de kaas die ik voor hem had versierd. "En jij?" vroeg hij met volle mond.
"Wat, kleindochters?" mompelde ik. "Nooit geteld". Ik heb niet eens kinderen, laat staan kleinkinderen. Ach, als Silly en ik nu eens... Ik zuchtte zo diep dat Mike me verwonderd aankeek.
"Ben je ziek?" 's Avonds niets gegeten. Vroeg gaan slapen in de boekenkast.


De hele dag aan Mike en zijn kleinkinderen moeten denken. Als hij honderden kleinkinderen heeft, dan moet hij ook heel wat kinderen hebben, reken ik jaloers uit. Hoeveel vrouwen zou hij eigenlijk hebben? 's Middags een ommetje gemaakt. Overal zijn ze kraampjes aan het opbouwen voor die fancy fair. Op het pleintje staat een grote feesttent. Ik besluit morgen uit de buurt van de drukte te blijven.


Vreselijk! Ze hebben het mandje van de vliering gehaald. 's Ochtends vroeg werd ik door tante Hortensia uit de boekenkast geplukt. Voor ik er erg in had stond Natjes voor mijn neus met het mandje. Ik haat dat ding en ik kruip daar niet in! Ik was vastbesloten mijn huid zo duur mogelijk te verkopen. Ik zette me met al mijn vier poten schrap en gromde als een wild dier. De vlokken haar vlogen in het rond. Het mocht niet baten. Op een of andere manier zijn mensen - zelfs tante Hortensia en Natjes - bij vlagen slimmer dan wij katten. Op een of andere manier hebben ze het toch klaargespeeld om me in dit kat-onterende mandje te wurmen. Hoe doen ze dat toch?
Machteloos moest ik toezien hoe ik het huis werd uitgedragen. Waarheen? Naar het asiel? Naar de dierenarts? Misschien zou ik ook 'geholpen' worden, net als Poesjkin. Dan kon ik wel naar kleinkinderen fluiten.
Buiten wachtte Bokma. Toen hij me verfromfraaid in het mandje zag zitten barstte hij in blaffen uit. "Hihihi! Dat ik dat nog mag meemaken", huilde hij. "De kroon der schepping in een mandje! Sjiek hoor! Waar gaat de reis naar toe majesteit?"
"Val dood, keutelruiker", snauwde ik. Maar ik wist ook niet waar we naar toe gingen.
Er waren heel veel mensen op de been. Overal op de Lommerweg stonden kraampjes met oude spullen en er hing een blauwe baklucht.De mensen bakten van vet druipende oliebollen die ze aan elkaar probeerden te verkopen. Ik voelde me slecht op mijn gemak. Wat zouden ze met me van plan zijn? We gingen de grote tent in die ze op het pleintje hadden opgezet. Op lange tafels stonden minstens nog twintig andere kattemandjes met katten die hetzelfde lot hadden ondergaan als ik. Ik werd afgegeven aan een meisje dat me bij de andere zette. "Wat een lelijkerd", hoorde ik een van de katten zeggen. "Het is maar een gewoon cypers mormel", viel een ander hem bij. "Die maakt hier niets klaar". "Wat kom je hier doen, pluisbol?" klonk het uit een andere mand.
"N...niets", stamelde ik verbijsterd.
"Dat dacht ik al", stelde de ander tevreden vast.
Toen ik eindelijk een beetje van mijn verbouwereerdheid bekomen was, keek ik schuchter om me heen om te zien in wat voor gezelschap ik verzeild was geraakt.
"Wat een lelijke kop", zei een blauwgrijze angorakat met een platte neus.
"Kijk naar jezelf", zei ik, maar wel zo zacht dat hij het niet kon horen. Wat mankeerde die lui hier?
"Ja, mooi is 'ie niet", beaamde een witte poes met rode vlekken. "Zijn staart heeft een krul, dat kan natuurlijk niet".
"Maar jij hebt helemaal geen staart", zei ik verbaasd.
"Natuurlijk niet", blies ze verontwaardigd. "Staarten komen in mijn familie niet voor. Stel je voor. Wat zou ik hier anders te zoeken hebben?"

Ik begreep er niets meer van. Hadden ze me naar een gekkenhuis voor katten gebracht? Ik schrok. Ik had me wel eens afgevraagd of die dingen ook echt bestonden en nu was ik er zelf in terechtgekomen. Eén ding stond als een paal boven water: zodra ik mijn kans schoon zag zou ik maken dat ik hier wegkwam. Ik wierp een tersluikse blik om mij heen. Sommige medeslachtoffers zaten bedrukt in hun mandje en zeiden niets. Zeker depressief. Anderen schreeuwden de hele tent bij elkaar. Dat moesten de ernstige gevallen zijn. Tot mijn schrik ontdekte ik Silly. Ze zat schuin tegenover me in haar mandje en keek verveeld.
"Silly!" riep ik uit. "Wat doe jij hier?"
"Oh hallo, Toby. Wat ik hier doe? Hetzelfde als jij denk ik".



"Silly, ze hebben ons naar een tehuis voor gekke katten gebracht! We moeten vluchten", zei ik zacht zodat de anderen het niet hoorden.
"Een gekkenhuis?"
"Heb je het dan niet gezien? Er zijn hier zelfs katten zonder staart". Ik keek voorzichtig om me heen. "En griezelige schele siamezen en... en katten van een andere planeet!"
Ze was niet onder de indruk. "Wat bedoel je daar nu weer mee?"
"Heb je die magere griezel met die lange oren dan niet gezien?" fluisterde ik. "Die is niet van deze planeet, wat ik je brom. Dat is een buitenaardse kat, wat ik je brom".
"Je loopt achter, theemuts", antwoordde ze kribbig. "Zo is hij geboren. Lange oren zijn trouwens in de mode".
Ik was even uit het veld geslagen. "Maar gek zijn ze hier wel".
"Hoe kom je daar toch bij, Toby? Heb je dit dan nog nooit eerder meegemaakt?"
"W...wat?"
"Een tentoonstelling"
"Een tentoonstelling?" Waar zijn de schilderijen dan?"
"Een kattententoonstelling, domoor. Wie van ons het mooist is, heeft gewonnen".
Het begon me te dagen. "En wat krijgt hij dan?" vroeg ik nieuwsgierig.
"Niks. Alleen zijn baas krijgt wat", zei ze.
Ik was teleurgesteld. "Kunnen ze dan niet beter een bazententoonstelling houden?"
Ze zuchtte diep. "Breek je hoofd er nou maar niet over, Toby. Jij wint toch niets. Je ziet eruit alsof je gevochten hebt".
"Ik wilde niet in het mandje", zei ik. "Wat gaan ze met je doen op zo'n tentoonstelling?" vroeg ik benauwd.
"Oh, ze gaan je bekijken, je maten opnemen. Dat soort dingen;' zei Silly.

"Hela, is dat gezeur nu afgelopen?" mopperde een grote rode kater. "Ik probeer hier een dutje te doen. Als jullie je waffel niet houden, kun je een haal over je neus krijgen". Het was duidelijk dat zijn poten nogal los zaten. In elk geval zou ik niet op de laatste plaats eindigen. Deze bullebak had een kop vol littekens en een scheur in zijn oor. Daarmee win je geen schoonheidswedstrijd.
"Dát je kunt slapen!" riep een jonge siamese kater, op van de zenuwen. "Ben je niet nerveus?"
"Nerveus? Waarvoor?"
"Ik ben op van de zenuwen. Het vorig jaar was ik derde, misschien win ik dit jaar..."
"Ach man, hou op", viel de rode hem in de rede. "Een beetje kater interesseert zich toch niet voor die flauwe kul. Schoonheidswedstrijden zijn iets voor watjes en roomsoezen. Hoeveel jongen heb jij al op de wereld gezet? Nou?"
De siamees draaide verlegen met zijn oren. "Twee, geloof ik".

"Ik een stuk of twintig", snoefde de rode. "En jij?" vroeg hij aan mij.
"Toby moet nog beginnen", antwoordde Silly onverwacht voor mij. Hè Toby?"
"Een beetje", gaf ik toe.
"Melkmuilen", snoof de rode. Belangstellend bekeek hij Silly van top tot teen. "Nieuw in de buurt?" informeerde hij zoetsappig.

"Gaat je niks aan", snauwde ik jaloers.
"Waar bemoei jij je mee, dot poetskatoen?" wilde de rode weten.
"S...Silly en ik zijn vrienden. Ja toch, Silly?"
"Tuurlijk". Ik kon haar kopje wel likken van dankbaarheid. Wat als ze gezegd had: "Vrienden? Hoe kom je erbij?"
"Ze hoeft toch niet eenkennig te zijn?" bromde de rode.
"Heb je die kop van je wel eens in de spiegel gezien?" vroeg ze pinnig.
"Ho ho, pop, gaan we persoonlijk worden?"
"Nee, wat mij betreft niet, patser", sprak ze uit de hoogte. Ik was in de zevende hemel. Silly had toegegeven dat we vrienden waren en ze had die lelijke bullebak afgepoeierd. Zou ik dan toch nog mogen hopen?Ze knikte me bemoedigend toe. Ik raakte door het dolle heen. Ik sprong uitgelaten in mijn mandje heen en weer. Ik zou het liefst van blijdschap holderdebolder de tent op en neer rennen, maar ik kon niet uit dat nare mandje.
"Wat mankeert dat beest?" hoorde ik plotseling iemand zeggen. Voor mijn mandje stonden enkele heren en een dame in witte jassen. "Deze kat gedraagt zich wel heel erg eigenaardig", zei een van de heren terwijl hij zijn bril rechtzette en door de deur van mijn mandje tuurde. Ik rolde vrolijk in het rond. "Meestal vinden ze die mandjes vreselijk", merkte de dame op, "maar deze doet alsof hij het leuk vindt". "Misschien is hij gestoord", zei de brildrager bezorgd. "Dat schijnt voor te komen", knikte een ander. "Misschien is het besmettelijk", piepte de dame. "Kattendolheid, bestaat dat?" De man met de bril knikte ernstig. "Mogelijk", prevelde hij. "Hij moet hier maar zo snel mogelijk weg. Voor alle zekerheid".
Onder luid gelach van de siamezen, de staartloze, de buitenaardse kat en de rest werd ik haastig de tent uitgedragen. Alleen Silly lachte niet. "Bofkont", zuchtte ze. "Jij mag straks weer uit je mandje. Wij moeten hier nog minstens een paar uur blijven".
De rode kater keek jaloers. "Opgeruimd staat netjes. Geschifte katten kunnen we hier niet gebruiken. Dit is geen gekkenhuis, maar een fatsoenlijke tentoonstelling voor echte kerels". Ik hoorde amper wat hij zei. Ik keek in de mooie ogen van Silly en zuchtte diep.

Tante Hortensia was zeer ontstemd toen ze haar kwamen vertellen dat ik wegens vreemd gedrag van de tentoonstelling werd verwijderd. Boos bracht ze me naar huis, waar ze me uit het mandje liet. "Bah!" zei ze. "Kun jij je nou nooit eens normaal gedragen?"

Die avond met Mike de muis naar Studio Sport gekeken. Ajax wordt dit seizoen nooit meer kampioen. Mike is in zijn nopjes, hij is voor P.S.V. Ik vertelde hem van de tentoonstelling.
"Houden mensen kattententoonstellingen?" zei hij verbaasd. "Nee, zo iets hebben wij niet. Ik ben dit jaar nog wel naar de Miss Muis-verkiezing geweest. Een nichtje van mij..."
"Laat maar, Mike", zei ik haastig. Als hij eenmaal over zijn familie begint...
Wat brokjes gegeten. Krakkk! Knabbelfeest voor Troelepoezen heet het merk. Ondanks de bezopen naam eigenlijk best te eten. In de boekenkast van Silly gedroomd.


Na alle ellende van de kattententoonstelling durf ik eindelijk weer eens mijn gezicht buiten de deur te steken. Dagenlang heb ik van schaamte in het meterkastje gelegen. Er was één enkel lichtpuntje in de duisternis: ik weet nu zeker dat Silly een warm plekje voor mij in haar hart heeft. Ik heb er lang over nagedacht en besloten dat het tijd wordt dat ik werk van haar ga maken. Als vrijer, bedoel ik. Alleen, ik heb geen flauw idee hoe je dat aanpakt. Poesjkin beweert dat je de natuur haar gang moet laten gaan, maar hij heeft makkelijk praten. Hij heeft geen natuur meer.


Na het ontbijt - Pussy! Knapperige Knabbelkrakers! - besloot ik een wandelingetje te maken. Die Knabbelkrakers lagen me knap zwaar op de maag. Bij de hazelaar, waar Bokma altijd zijn achterpoot optilt, nam ik de afslag naar het dorp. Ik kom daar niet vaak. Het is me te druk. Het wemelt er van geparfumeerde keffertjes die denken dat ze een hele held zijn wanneer ze met veel kabaal een kat achterna rennen. Bovendien kijken de mensen nooit uit waar ze lopen. Dat krijg je als je er zulke grote poten op na houdt. Je kunt als kat dan wel onder een auto gaan zitten, maar wat als die auto wegrijdt en je hebt je staart niet op tijd weggetrokken? Vandaag is het donderdag, dan zijn er veel winkels dicht. Dat is prettig omdat je dan niet voortdurend wordt lastiggevallen door theetantes die 'pssst!' naar je roepen, of 'poeeees poeeees!' Wij katten roepen toch ook niet 'mèns! mèèèèns! Wat zegt 'ie dan? Lekker mellekie, mens?' Ik kon nu op mijn gemak de ronde doen. De vuilnisbak van de slager inspecteren, achter bij de banketbakker kijken of er slagroom- taartjes te vinden zijn die van het weekeinde zijn overgebleven. Een vissekop is ook niet te versmaden. Bij de slager vond ik wat afsnijsel, met een doordringend luchtje. Het is de slager van de kouwe kak van het dorp. Die sjieke lui willen dat hij overal knoflook in stopt en dat blief ik niet. Ik besloot ook nog wat rond te neuzen bij Restaurant Boslucht, vlak aan de snelweg. Bij de spoeltonnen lag een grote berg keukenafval die veelbelovend rook. Tot mijn vreugde vond ik een smakelijk randje vet. De klanten van Restaurant Boslucht houden niet van vette randjes aan hun vlees. Ik wilde het vetrandje uit de hoop trekken maar tot mijn stomme verbazing gaf het niet mee. Integendeel. het verdween uit zichzelf weer in de vuilnishoop. Ik wist niet wat ik ervan moest denken. Ik had nog nooit meegemaakt dat vette randjes een eigen wil hebben. Ik gaf er een harde ruk aan.
"Hee. hou op! Wat zijn dat voor manieren?" klonk het uit de hoop vuilnis. Even later verscheen er een spitse kop met een snor en boze ogen. Geschrokken liet ik het vetrandje los.
"W...wat ben jij? Zo'n grote muis heb ik nog nooit gezien", stamelde ik.
Het beest lachte honend. "Ik? Een muis? Laat me niet lachen. Ik ben Klepsydra de rat en je moet niet denken dat ik bang voor je ben." Ze liet haar gele tanden zien en deed een onverhoedse uitval. Ik schrok me dood en sprong met alle vier mijn poten de lucht in. "Nou? Zie je wel? Schijthuis!" zei ze triomfantelijk terwijl ze het vetrandje binnenhaalde.
"Ik, een schijthuis", sputterde ik verontwaardigd tegen. "Pfff!" Uit verlegenheid begon ik me te wassen, alsof de zaak me niets meer kon schelen. Je moet als kat altijd je waardigheid behouden, ook als er zo'n rat bij is. Daarna draaide ik haar de rug toe en schreed zo elegant mogelijk terug naar het dorp. Onderweg kwam ik Bokma tegen. Hij gaat vaak naar het dorp om aan keutels van de concurrentie te ruiken. Je bent hond of je bent het niet. Dichterbij gekomen zag ik dat hij vol builen en schrammen zat. Ik zei hem beleefd goedendag en vertelde hem van de rat, die ik in het dorp had gezien. Het was voor Bokma niets nieuws.
"Klepsydra de rat? Toffe meid. Ik doe zelfs zaken met haar", verklaarde hij gewichtig".
"Z...zaken?"
"Jazeker, daar kijk je van op, he?" zei hij triomfantelijk.
"Eh... ja, een beetje wel", gaf ik toe. "Wat voor zaken dan?" Hij krabde zich uitvoerig achter zijn oren en schudde zich uit. "Kijk", legde hij uit. "We delen samen de afvalhoop bij het restaurant. Ik gooi de spoeltonnen om want dat kan Klepsydra niet. Daarvoor heeft ze mij nodig". Hij zette een hoge borst op.
"En dan?", vroeg ik.
"Als er dan mensen komen, moet ik gauw wegrennen. Volgens Klepsydra denken ze dan dat ik de enige schuldige ben en laten ze haar met rust. Slim, he? In ruil daarvoor mag ik de soep- benen, die lust zij toch niet".
"Maar hoe kom je aan al die schrammen en bulten op je kop?"
"Ik ben nog niet goed in vorm", mompelde hij verlegen. "Eén keer kon ik niet vlug genoeg wegspringen voor de spoelton en een andere keer kreeg ik van de kok een fles naar mijn hoofd. Maar ik ben weer in training. Kijk maar". Hij begon als een idioot rondjes om me heen te rennen. "Nou?" vroeg hij met de tong uit de bek. "Dat was toch al aardig snel, he?" Hij trok een zelfvoldaan gezicht. "Ik denk dat ik ergens een hazewindhond in de familie heb. Daardoor komt het".
"Vast", knikte ik. Maar wat helpt het als al je andere voorouders dikke straathondjes zijn.


Brokjesontbijt. Daarna naar zolder gegaan om Mike de muis het voorval met de rat te vertellen. Toen hij het verhaal hoorde werd hij bleek om de neus en rende naar het zolderraam om naar buiten te kijken.
"Wat valt daar te zien?" vroeg ik verwonderd.
"Ik kijk of de ratten al in aantocht zijn".
"Ratten? Het was er maar één hoor", troostte ik hem.
"Waar één rat is, zijn er meer", antwoordde hij grimmig.
"Dus net als bij muizen!"
"Denk je dat je leuk bent?" vroeg hij gekwetst.
"Nee, maar jij hebt toch een miljoen neven en nichten?"
Hij zette een hoge borst op. "Ik stam uit een oud muizengeslacht en daar ben ik trots op". Somber keek hij weer uit het raam. "Ratten", mompelde hij. "En ik dacht nog wel dat dit een nette buurt was".
's Avonds een bordje Krokkebrokjes voor Snoezepoezen, een nieuw soort brokjes. Ze zijn raar rood en smaken naar zaagsel. Waar haalt tante Hortensia die dingen toch altijd weer vandaan? Vroeg naar hef naaimandje.


Een stevig ontbijt. Ik kreeg een prakje aardappels met jus; Eindelijk! Daarna maar de wijk in. Ik trof Poesjkin op het muurtje voor de boerderij van boer Zult. Hij zat na te denken. Poesjkin bestudeert de mensen, hij kan ze uren achtereen observeren. In kattenkringen van de Lommerlaan en omstreken geldt Poesjkin dan ook als DE grote mensenexpert. Misschien dat hij ook iets van ratten afweet.
"Ratten?" vroeg hij nadat ik hem van Klepsydra en Bokma had verteld. "Is er een rat in het dorp?" Hij sloeg nadenkend zijn staart om zich heen.
"Is dat erg?" vroeg ik bezorgd.
"Nee, dat niet. We hebben toch ook met de honden leren leven? En die zijn nog een stuk dommer. Dat blijkt weer. Bokma mag het vuile werk voor Klepsydra opknappen in ruil voor de klappen van de kok. Ratten zijn onaangename beesten, maar honden zijn dom en dat is veel erger". Poesjkin is intellectueel.
Persoonlijk heb ik liever Bokma dan die enge Klepsydra.
,Bovendien", vervolgde Poesjkin, hebben ratten niet de hinderlijke gewoonte altijd bij elkaar onder de staart te ruiken".

s Avonds vis. Ik lag een uurtje in de meterkast, maar kon de slaap niet vatten. Er is een vraag die me sinds vanmiddag maar niet met rust laat: waarom zouden honden eigenlijk onder elkaars staart ruiken?


Bokma lag languit voor het huis van Natjes in de zon te slapen. Ik ging op een paaltje zitten om hem op mijn gemak te bekijken. Wat zijn honden eigenlijk vreselijk, dacht ik huiverend. Bokma was zich nergens van bewust. Af en toe smakte hij luidruchtig in zijn slaap. Misschien droomde hij van iets lekkers, of iets vies, dat weet je bij honden nooit. Na een kwartiertje merkte hij dat hij werd bekeken. Gehinderd deed hij één oog open. "Toby? Wat zit je me te begluren?" mopperde hij. "Heb ik soms iets van je aan?"
"Nee, dat niet", antwoordde ik.
"Wat is er dan?"
Ik schraapte mijn keel. "Hum", zei ik. "Ik zou graag iets over honden willen weten".
Hij ging overeind zitten. "Je neemt me toch niet in de maling, he?" vroeg hij achterdochtig.
"Nee hoor, Bokma, echt niet. Waarom zou ik?"
Toen hij er zeker van was dat ik het meende trok hij een gewichtig gezicht. "Goed dan", zei hij met plechtige stem. "Vraag maar. Hoewel het eigenlijk maar vreemd is dat je nu pas iets over ons wilt weten. Wat meer belangstelling voor je mededier had je gesierd. Per slot van rekening zijn wij, honden, interessante dieren met tal van moderne eigenschappen. Wij zijn mooi, trouw en hebben een goede neus. Dat zijn allemaal dingen waarop andere dieren natuurlijk jaloers zijn. Maar daar zal ik vandaag niet over vallen. Wat wilde je weten, m'n waarde Toby?"
"Waarom ruiken honden onder elkaars staart?"
"Ik...eh...hum..." Hij was met stomheid geslagen. Zijn bek zakte een eindje open, zijn ogen kregen een schaapachtige uitdrukking. "Weet je zeker dat je niet iets anders wilt weten?" vroeg hij. "Bijvoorbeeld waarom wij zo prachtig kunnen kwispelen?".
"Nee, hoor. Alleen dit".
Hij trok een ongelukkig gezicht. "Ik weet het niet", zei hij. "Dat wil zeggen, niet precies...".
"Wéét je dat niet?"
"Nee. Het is een oude eerbiedwaardige traditie. Van vader op zoon overgegaan. De oorsprong ligt ergens in het grijze verleden. Per slot van rekening zijn wij honden al heel lang hond".
Hij kreeg weer wat zelfvertrouwen.
"Zou ik ook eens mogen ruiken?" Ik had het eruit geflapt voor ik er erg in had.
"Pardon?" Hij trok een zuinig gezicht.
"Dan mag je mijn etensbak een keer leeg eten".
Er verscheen een begerig lichtje in zijn ogen. "Jouw eten? Met van die lekkere gummiballen? Hoe heet dat spul ook al weer?"
"Tsjomp", antwoordde ik rillend. "Heerlijk!". "Ja, dat bedoel ik!" riep Bokma opgetogen. Hij wierp een schichtige blik om zich heen, toen draaide hij zijn achterkant naar me toe. "Vooruit, snel dan. Nu niemand het ziet".
Ik sprong van mijn paaltje. Voorzichtig kwam ik naderbij. Eindelijk zou ik het geheim van de hond leren kennen. Nu zou het gebeuren! Ik haalde een keer diep adem en snoof. Het werd me zwart voor de ogen, mijn maag draaide zich om en hing ineens ergens tussen mijn oren. Jakkes! Ik blies van schrik. Met alle vier mijn poten sprong ik achteruit, mijn staart zo dik als een borstel.
"Lekker, he?", riep Bokma over zijn schouder.
"Hmmmmpfrt!" was het enige dat ik kon uitbrengen. Onder Bokma's staart hing een lucht die een dode kater uit zijn graf kon laten opstaan.Waar was ik aan begonnen!
Bokma glunderde. "Ik wist wel dat je het lekker zou vinden", zei hij. "Tja, nu vind je het zeker jammer hè, dat je geen hond bent?"
Scheel van misselijkheid maakte ik me uit de voeten. Waarom honden nou zo graag onder elkaars staart ruiken wist ik eigenlijk nog altijd niet, maar ik wist wel wat ze daar roken. Bah! De rest van de dag geen eetlust meer. Beroerd geslapen.


Mijn stommiteit om eventjes onder Bokma's staart te willen ruiken kreeg nog een staartje, als je dat zo kunt zeggen. Silly, mijn Perzische prinses, had het gezien. "Bah, je bent een viezerik, theemuts", zei ze misprijzend. "Dat had ik niet van je verwacht".
Uit verlegenheid begon ik me omstandig te likken, maar ze bleef me afwachtend aankijken. Ik verzon een smoes. "Het was eigenlijk puur toeval", mompelde ik. "Ik was in gedachten en keek niet uit waar ik liep. En toen ineens: pats! Voor ik er erg in had botste ik met mijn neus van achteren tegen Bokma aan. Kan toch iedereen overkomen?"
Ze zwaaide boos met haar pluimstaart. "Denk je dat ik dat geloof? Denk je heus dat ik gek ben?"
"Gek? Nee, dat niet...". Ze draaide zich om en liep met waaiende staart weg. Ik kon mezelf wel voor mijn kop slaan. Hoe komt het ooit nog goed tussen haar en mij? Toen gebeurde er een klein, een heel klein, wondertje. Onverwacht draaide Silly zich om. "Eh, Toby?"
"Ja?"
"Wat ik vragen wou...", begon ze aarzelend.
"Wat wou je dan vragen?"
"Hoe rook het onder Bokma's staart?" vroeg ze.
"Naar mensensokken", antwoordde ik naar waarheid.
"Mafkat", zei ze. "Je moet wel je neus goed wassen voor je gaat slapen". Toen gaf ze me een knipoogje en liep sierlijk verder. Ik kon wel juichen, alles was dus nog niet verloren. 's Avonds mijn portie Tsjomp aan Bokma afgestaan. Goed geslapen.


Het was Poesjkin ter ore gekomen dat ik onder Bokma's staart ...eh gesnuffeld had. Hij had er geen moeite mee. Poesjkin is een ruimdenkende kat met wetenschappelijke belangstelling. "Maar Toby", zei hij, "je had het mij toch ook kunnen vragen?"
"Wat?"
"Waarom honden onder elkaars staart ruiken", antwoordde hij.
"Wéét jij dat dan?" Hij knikte. Ineens herinnerde ik me dat Poesjkin veel over honden weet. Poesjkin is niet alleen een intellectueel, maar ook een sociaal voelende kat.
Het schijnt dat hij voorzitter is van een comité dat een verzoening tussen hond en kat wil bewerkstelligen: Het Gemeenschappelijk Platform Voor Hond-Kat Dialoog heet het.
Dit comité wil in de toekomst ook een gesprek op gang brengen tussen katten en vogels.
Daarom heeft Poesjkin de actiegroep De Dode Mus en het comité Kwartels Tegen Kattekwaad uitgenodigd als waarnemers bij zijn Platform. Hij heeft het er erg druk mee.
"Honden zijn niet erg snugger", legde Poesjkin uit. "Als de ene hond de andere tegenkomt heeft hij geen flauw idee wat de voorkant of wat de achterkant is. Hij ziet alleen een langwerpig ding op poten. Wat doet hij dus: hij ruikt aan een van de twee uiteinden. Als het stinkt weet hij dat dat de achterkant is en dat de voorkant aan het andere eind zit".
Kijk, dat is nu nog eens een uitleg waar je wat aan hebt. Morgen komt Natjes op bezoek om op de bank te zitten en tante Hortensia's hand vast te houden. Ze schuift dan altijd van hem weg. Zou ze hem vies vinden? Misschien wacht ze op een geschikt moment om hem in de kraag te grijpen en onverhoeds in bad te stoppen. Dat flikt ze mij ook wel eens.
Als ik Natjes was zou ik maar uitkijken.
's Avonds op Tante Hortensia's schoot naar de televisie gekeken. Ivo Niehe. Moet je van houden. Tante Hortensia vindt het zo'n keurige jongeman. Telkens als hij in beeld is zucht ze zo diep dat ik bijna van schoot rol. Ik kreeg er het heen en weer van. Slecht geslapen; van Ivo Niehe gedroomd.


's Ochtends vroeg op. Er lag een nieuw soort brokjes in mijn bak: Knabbelkatjes voor Smikkelpoezen. Eerst dacht ik dat ik het niet goed zag: de brokjes hebben de vorm van een kattekop. Alleen waar wij ogen hebben hebben ze gaatjes geprikt. Ik kreeg het spul niet door mijn keel. Ik ben geen kannibaal! Dat mensen met Sinterklaas hun soortgenoten opeten in de vorm van speculaaspoppen moeten zij weten; ik ben beschaafd, meneer! Tot mijn ergenis had tante Hortensia niet door dat ik haar nieuwe aankoop niet bliefde. Ze deed net alsof ik niet bestond. De hele dag zat ze voor de spiegel en friemelde wanhopig aan haar krulletjes, die op een of andere manier niet goed op haar hoofd wilden blijven zitten. Stik! Dat was waar ook, buurman Natjes zou vanmiddag op bezoek komen. Daarom deed ze natuurlijk zo gek.
Beneden op de bank deed ik een dutje. Ik droomde dat ik in een paradijs was met alle dagen zon, prakjes met jus, vrijdags vis en op zaterdag rosbief. Plotseling schoot er een vette, donkere wolk voor de zon.Ik schrok wakker. Toen ik mijn ogen opendeed keek ik recht tegen het achterwerk van Natjes aan, dat langzaam op mij neerdaalde. Buurman Natjes was bezig boven op me te gaan zitten! Ik gaf een kreet van schrik en stak al mijn klauwen uit. Daarop slaakte Natjes ook een luide kreet. "M'n goeie broek!" piepte hij terwijl hij meters in de lucht sprong. Weer op de grond probeerde hij met beide handen de grote winkelhaak aan de achterkant te verbergen.
"Wat doet zo'n rotkat ook op de bank", raasde hij woedend.
"Slapen", antwoordde tante Hortensia beduusd.
"Slapen? Ik zal dat mormel eens leren slapen!" Terwijl zijn ogen door de kamer schoten greep hij zijn wandelstok. Ik zat allang veilig onder het dressoir, waar hij me niet kon zien. In zijn opwinding had hij de scheur van zijn broek losgelaten. Met grote ogen keek tante Hortensia naar zijn onderbroek en begon te giechelen. Natjes had ook een raar exemplaar aan: eentje met olifantjes erop. Zijn handen schoten naar zijn achterkant.
"Heeft mijn zuster voor me gekocht", legde hij met een schaapachtig lachje uit. "In de uitverkoop. Ze waren goedkoop, zie je". Hij trok haastig zijn jasje uit en knoopte de mouwen om zijn middel. Toen werd hij weer boos. "Ik loop voor gek, Hortensia, en wat doe jij? Jij giechelt", mopperde hij. "En dat allemaal door die rotkat. Waarom heb je geen hond, zoals ieder normaal mens? Bah!" Briesend verliet hij het huis.
Even later zag ik de benen van tante Hortensia voor het dressoir opdoemen. Zij wist natuurlijk wèl waar ik was. "Toby!" Hola! Ze was echt kwaad. Ik overlegde bij mezelf. Hoe kwam ik hier zonder kleerscheuren vanaf! Ik begon alvast maar klaaglijk te miauwen, dat kon nooit kwaad. "Nee", zei tante Hortensia beslist, "ik vind je helemaal niet aardig". Dan nog maar een schepje er bovenop, dacht ik terwijl ik een keel opzette waarvan me zelf de tranen in de ogen schoten. Zo zielig had ik nog nooit gemauwd. Ik wist niet dat ik het kon.Tante Hortensia begon al te smelten. "Ach gutogutogut", zei ze. "M'n wollie-bollie toch". Wat dit gebrabbel precies betekent weet ik niet, maar het was een teken dat de zaak voor mij wel snor zat. "Is die vreemde meneer op mijn Toby-kereltje gaan zitten?" Toby-kereltje. Ik huiverde. Zal ik nooit aan wennen. Toen ik even een mauwpauze inlaste hoorde ik een benauwd gepuf en gehijg. Even later verscheen het roodaangelopen gezicht van tante Hortensia onder het dressoir. Ik begon weer te mauwen en spinnen en probeerde ook nog kopjes te geven, waardoor ik mijn kop stootte.
"Heeft m'n wurmpie schrikjes van buurman Natjes?" pruttelde tante Hortensia terwijl ze een schoteltje melk onder het dressoir schoof. Ondanks het scheldwoord 'wurmpie' knorde ik tevreden. Dankzij een beetje mensenkennis had ik de zaak weer naar mijn hand kunnen zetten. Later lekker verder gedroomd op de bank.


Het regende. Ik zat tussen de hortensia's van tante Begonia... Pardon, ik zat tussen de begonia's van tante Hortensia naar buiten te kijken. Ha ha, melig he? Halverwege de middag kwam Bokma voorbij. Hij was op weg naar het dorp om samen met Klepsydra de rat een overval op de spoeltonnen van Restaurant Boszicht te beramen. Later met Mike de muis televisie gekeken. Tekenfilm met Donald Duck. Mike is helemaal weg van Mickey Mouse. Hij wil ook zulke oren.


Toen ik 's ochtends Silly tegenkwam bij de rozenstruiken aan de Drenteldreef begroette ze me bewonderend. "Tjonge, wat was die vogelverschrikker kwaad om die broek!" zei ze. "Hij kreeg 't eerst aan de stok met z'n zuster en toen gooide hij mij een schoen naar het hoofd.
Ik keek haar geschrokken aan. "Een schoen?"
Ze knikte.
"Het mispunt! Ha!" riep ik stoer. "Als hij dat nog eens waagt moet hij goed op zijn broek passen als ik in de buurt ben. Elke keer als hij met schoenen gooit, gaat zijn broek eraan!"
"Sloof je niet uit, theemuts", zei Silly droogjes. "Hij gooit toch nooit raak".
"Oh!" Ik voelde me terechtgewezen. "Maar als er wat is, roep je me maar". En ik schreed zo waardig mogelijk weg. Tot mijn verbazing liep ze met mij op. Voordat ik er erg in had duwde ze zich tegen mij aan en gaf me het heerlijkste kopje dat ik ooit gekregen heb. Ik bleef staan. "Wat heb jij ineens?" vroeg ik verbouwereerd. Zo toeschietelijk had ik haar nog nooit meegemaakt.
Ze giechelde. Haar ogen stonden een beetje zwemmerig. Zo kijkt tante Hortensia ook als ze te veel van de advocaat gesnoept heeft.
"Weet ik niet", zei ze. "Ik vind je aardig, geloof ik".
Mijn hart maakte een sprongetje.
"Gek he? Ik vind vandaag ineens iedereen aardig", zei ze, terwijl ze opzichtig naar Charles lonkte, die ellendige stampij-kater van de televisie, die voor het raam zat. Mijn hart viel met een plof terug op aarde.
"Oh", zei ik gekwetst.
"Malle theemuts". Voor ik iets terug kon zeggen liep ze door. Het viel me op dat ze vreemd met haar staart zwabberde; alsof die ook dronken was. Bij het avondeten was er weer eens Tsjomp en geen Bokma om het voor me op te eten. Niet aangeraakt. Op zolder geslapen omdat ik aan Silly moest denken. Waarom deed ze ineens zo raar? Midden in de nacht schoot ik wakker. Riep iemand mij? Ik luisterde, maar ik hoorde niets.


Al vroeg naar Poesjkin, die zoals gewoonlijk op het hek van boer Zult te vinden was. Onderweg, bij de afslag naar het Sukkelpad, botste ik bijna tegen een kat op die ik nog nooit eerder had gezien.
"Kun je niet uitkijken!"
"Kijk zelf uit!" riep ik.
Hij wierp me een donkere blik toe. Toen ik hem eens goed bekeek deed ik haastig een stapje achteruit. Het was een lapjeskater met een kop vol littekens en beslist een paar maatjes groter dan ik. Ik mompelde wat, toen liep ik gauw door. Honderd meter verderop keek ik nog eens om.
Hij was op een paaltje gesprongen en staarde geboeid naar
het huis van buurman Natjes. Vreemd.
Ik vertelde Poesjkin van Silly's ongewone gedrag. Met een diepe zucht sloeg hij z'n staart om zijn poten.
"Je boft maar, Toby", zei hij.
"Hoezo ik?"
"Als het waar is wat je zegt, dan is Silly krols".
"Oh", zei ik onnozel. "Krols". Ik had geen idee wat dat was. "Wat heb ik daarmee te maken", wilde ik weten.
Poesjkin zuchtte nu zo diep dat ik begreep dat ik teveel was.
In gedachten slenterde ik naar huis. 'Krols', wat zou dat zijn? Zou Mike het weten?


"Krols?" vroeg Mike de muis terwijl hij de kaas uit de korst at die ik voor hem had meegenomen. "Wil je weten wat krols is?"
"Eh... ja", antwoordde ik. "Een beetje wel".
Hij schudde het hoofd. "Wat dat is merk je vanzelf wel. Tenminste als het zover is", voegde hij er geheimzinnig aan toe.
"Oh", zei ik. Maar Mike wilde er verder geen woorden aan vuil maken. Nu wist ik nog niks. Wat is het soms moeilijk een kat te zijn. dacht ik toen ik in de keuken het aanrecht inspecteerde. Je moet ook alles alleen doen in dit leven. Zelfs muizen willen je niet meer helpen. Waar moet het heen met de wereld?
Ik at wat brokjes. Mjummie, verwennertjes voor poezekinderen. Vuiligheid. Daarna ging ik slapen in het naaimandje. Tegen middernacht schoot ik wakker. Net als een paar dagen geleden had ik de vreemde gewaarwording dat iemand me riep. Ik wilde weer inslapen toen ik vlak bij me een bekende stem hoorde.
"Nou, merk je nog niks?" Tot mijn verbazing zat Mike de muis op de rand van het naaimandje. Hij was op zakenreis naar de keukenkastjes geweest en zat op zijn gemak de koekkruimels uit zijn snor te wassen.
"Iets merken? W ...wat dan?" vroeg ik.
"Hoor je dan niets?" riep hij.
"Ja, dat wel", gaf ik toe. "Ik heb telkens het idee dat iemand me roept. Gek he? Wat denk je, Mike, zou er iets mis met me zijn? Ik voel me de laatste dagen zo ongedurig. Je hebt toch een neef die psychiater is, he? Zou die niet eens..."
Mike verloor zijn geduld. "Man, zever toch niet zo. Gebruik je oren en luister!"
Ik gehoorzaamde en luisterde ingespannen. Ja, ik hoorde het opnieuw. Er ging een schok door me heen. Als verstijfd zat ik in het naaimandje, al mijn haren stonden overeind. In de verte klonk prachtig gezang. Zoiets had ik nog nooit gehoord. Betoverd stapte ik uit het naaimandje. Zonder Mike gedag te zeggen rende ik door het katteluikje de nacht in, onweerstaanbaar aangetrokken door de hemelse stem van... Silly. Ik hoorde nog net Mike achter mijn rug een diepe zucht slaken.
"Tsjonge, het duurde wel even voordat het tot zijn bolle hersens doordrong", mopperde hij. "Die katten van tegenwoordig begrijpen de roep van de natuur niet als ze hem horen. Dan is het bij ons muizen wel anders..."
Via het kattepaadje en het laantje met de hazelaars rende ik naar het huis van Natjes. Het gezang van Silly werd steeds duidelijker. Ach, wat zong ze mooi. Ik werd er helemaal draaierig van.
"Kan je niet uitkijken waar je je poten zet?" snauwde iemand ineens. Ik schrok. Het was de kater met zijn kop vol littekens, die ik enkele dagen geleden al bij het huis van Natjes was tegengekomen. Ik was meteen weer bij mijn positieven. Ik mompelde een verontschuldiging en ging haastig een eindje verderop onder de struiken zitten. Toen ik om me heen keek zag ik dat ik niet de enige muziekliefhebber was die op Silly's gezang was afgekomen. Alle gerenommeerde katers uit de buurt - en zelfs van ver daar buiten - hadden zich rond het huis van Natjes verzameld. Charles, de opschepperige t.v.-kater was er, zelfs Joop, de lapjeskat die in het dorp woonde, was op de muziek afgekomen. Hoog boven ons op het balkon stond de zangeres: Silly, mijn Perzische zangeres. Nu is 'stond' niet helemaal het goede woord. Ze rolde meer op haar rug en buik over het balkon heen en weer. Nu houd ik niet zo van moderne kunst, ik bedoel van die popconcerten waar ze dat ook doen, maar voor Silly maak ik een uitzondering. Ik was er totaal ondersteboven van. De anderen ook. Sommigen waren zo van streek dat ze tegen elkaar begonnen te jammeren en te blazen. Anderen vochten om het beste plekje onder het balkon. Litteken deed daar niet aan mee. Tot mijn verwondering zag ik dat de bullebak op een of andere manier de dakgoot had weten te bereiken. Hoe kwam hij daar, zo dicht bij Silly? Jaloers volgde ik zijn bewegingen. Veerkrachtig sprong hij uit de goot op het balkon. Intussen had het geblaas en gebler van het publiek de aandacht van Bokma getrokken. De cultuurbarbaar begon als een gestoorde idioot te blaffen, zodat we niets meer van de muziek hoorden.
Binnen floepte licht aan. Er klonken opgewonden stemmen. Even later stoof Natjes in zijn nachthemd het balkon op. "Ellendige rotbeesten!" schreeuwde hij buiten zichzelf. Links en rechts vlogen ons de schoenen om de oren. Charles de t.v.-kat - een van de ergste herrieschoppers - en al de anderen stoven alle kanten uit. Voor de zekerheid kroop ik wat verder weg onder mijn struik. "Misbaksels!" schuimbekte Natjes. Toen slaakte hij een kreet van triomf. "Ah, daar hebben we de broekenscheurder! Hier jij!" En hij stortte zich op Litteken, die niet zo gauw een goed heenkomen had weten te vinden. Er klonk een woedend geblaas en gekrijs. Na een korte worsteling hield Natjes Litteken aan zijn nekvel omhoog. "Jou zal ik leren broeken te scheuren!" brieste hij voordat hij met zijn buit naar binnen ging. Toen de stofwolken waren opgetrokken gluurde ik voorzichtig onder mijn struik vandaan. Natjes was verdwenen. Hij had Litteken meegenomen omdat hij dacht dat ik het was. De kust was nu veilig. Mijn hart maakte een sprongetje: Silly, die zich tijdens het tumult koest had gehouden, had haar concert hervat. Hemels gezang vervulde de nacht.
"Oh Silly!" zuchtte ik in vervoering. Ze moest het gehoord hebben want ze stak haar kop door de spijlen van het balkon.
"Ben jij dat, theemuts?" zong ze me toe.
Ik deed net alsof ik dat laatste woord niet had gehoord. "Ja Silly, ik ben het", antwoordde ik met een snik.
"Waarom kom je niet hier?" klonk het melodieus.
"Hoe dan?"
"Als je in de boom klimt kun je via de tak naar de dakgoot boven het balkon komen", zong ze.
Ik keek naar boven. Normaal zou ik voor dergelijke halsbrekende toeren hebben bedankt, maar de muziekliefhebber in mij bleek sterker te zijn dan de angsthaas. Gedragen door de verrukkelijke tonen van mijn uitverkorene bereikte ik de dakgoot boven het balkon.
"Spring dan, Romeo!" nodigde ze me uit.
Ik keek naar beneden. De natuur riep en ik had hoogtevrees. Mijn hart klopte me in de keel, het werd me zwart voor de ogen. Toen verloor ik mijn evenwicht en plofte aan haar voeten op het balkon.


"En verder?" wilde Mike de muis weten toen ik hem het verhaal vertelde.
"Verder?" Verlegen bekeek ik mijn tenen. Ik zuchtte diep, maar kon geen woord meer uitbrengen.
"Gewoon, wat gebeurde er verder? wilde hij weten. "Hoe liep het concert af?"
"C...concert? ...ik weet het niet", antwoordde ik hulpeloos. "Er gebeurde ineens een heleboel tegelijk, zie je. Ik kan het allemaal nog niet bevatten. Maar als ik een beetje op verhaal gekomen ben, weet ik het misschien wel weer".
"Laat maar", bromde Mike. "Mij hoef je heus niets te vertellen. Ik ben al dertig keer grootvader".
"Wat heeft dat er mee te maken?"
"Daar kom je vroeg of laat wel achter", antwoordde hij verveeld.
"Oh", zei ik en wilde hem vragen wat duidelijker te zijn, maar hij had zijn belangstelling voor het onderwerp verloren.
"Is er nog wat op de buis?" vroeg hij. "Het is toch maandag vandaag? Dan is er toch altijd Supermuis op de televisie?".
Ik had geen zin in televisie. Ten eerste is Supermuis mijn programma niet. Dat beest maakt er gewoonte van katten ernstig te mishandelen. Ik vind het bepaald een onprettig gezicht, zo'n verfrommelde collega. Ten tweede stond mijn hoofd helemaal niet naar televisie kijken.
Ik merkte dat ik honger had, alsof ik de hele dag op pad was geweest.

In de bijkeuken at ik mijn bak tot op de bodem leeg. Onder het dressoir viel ik als een blok in slaap. Ik droomde dat ik naar het balkon klom waar een Perzische zangeres een concert voor mij alleen hield.


Om half negen 's ochtends werd er gebeld. Tante Hortensia tuurde eerst door het loergaatje om te zien wie het was. Toen slaakte ze een opgewonden kreetje, dribbelde naar de spiegel en begon aan haar krulletjes te friemelen. Uiteindelijk slaakte ze een diepe zucht. "Vreselijk", kreunde ze. "Ik zie er vreselijk uit". Toen haalde ze de deur van het nachtslot. "Niet kijken", piepte ze. "Ik zie eruit als een vogelverschrikker!".
"Vogelverschrikker?" zei de aanbeller. "Ik ben geen vogel. Je hoeft me dus ook niet weg te jagen".
"Buurman Natjes!" riep tante Hortensia. "Bent u... eh.. ben jij het?" Ze begon opnieuw aan haar hoofd te plukken. "Alles zit in de war", mopperde ze.
"Kom eens achter die deur vandaan, Hortensia!
Ik heb wat voor je!"
Ze stak haar hoofd om de deur.
"Nou? Nou? Wat zeg je nou?" riep Natjes triomfantelijk.
Nieuwsgierig stak ik ook mijn hoofd om de hoek. Tot mijn stomme verbazing had Natjes een kat bij zijn nekvel, die hij voor tante Hortensia's neus hield. Het was Litteken, de vechtersbaas, die ik al eerder tegen het lijf was gelopen. "Hier heb je de boosdoener", zei Natjes.
"Boosdoener?" vroeg tante Hortensia. "Wat voor boosdoener?"
"De broekenvernieler".
"Broekenvernieler?"
"Ja, jouw kat", zei Natjes een beetje gepikeerd. "Je weet toch hopelijk nog wel dat dat mormel gisteren mijn broek vernield heeft? Vannacht zat dat beest herrie te schoppen op mijn balkon. De brutaliteit!"
"Maar dat is mijn Toby helemaal niet", verdedigde tante Hortensia zich.
"Hoezo is dit niet jouw kat?" vroeg hij uit de hoogte. "Hou je me voor de gek? Als ik op een kat zit weet ik ook hoe hij eruit ziet, Hortensia".
Ze giechelde. "Jij hebt ook overal ogen, Natjes".
Gevleid streek hij met zijn vrije hand een krul in zijn snor. "Jazeker, Hortensia, er blijft weinig voor mij verborgen".
"Geef hem 'ns hier", vroeg ze terwijl ze haar handen naar Litteken uitstrekte.
Maar Natjes hield de kater buiten haar bereik. "Je kan hem krijgen, maar ik eis dat hij gestraft wordt", zei hij.
"Hoe dan?"
Peinzend bekeek Natjes zijn arrestant, die chagrijnig aan zijn nekvel hing. "Streng", zei Natjes tenslotte en hij duwde de kater in tante Hortensia's armen. Litteken probeerde onmiddellijk of hij zich kon bevrijden, maar als tante Hortensia eenmaal iets wolligs in haar armen heeft laat ze het niet makkelijk los. Daar kan ik van meepraten.
"Och, wat een troelepoepje", kraaide ze vertederd en drukte de vervaarlijke kat aan haar boezem. "Oh gossie, hij heeft allemaal wondjes op zijn kopje.
De stumperd. Kom maar bij het vrouwtje". Litteken keek ongelovig. Hij was kennelijk andere 'vrouwtjes' gewend.
"Streng straffen, Hortensia!" waarschuwie Natjes. "Geen pardon! Het gaat om mijn broek!"
Ze knikte afwezig en deed de deur voor zijn neus dicht. Op dat moment kreeg ik een naar voorgevoel.De manier waarop Hortensia bezorgd mompelend met Litteken in de zitkamer verdween beviel me niet. Door de deur hoorde ik af en toe de verrukte kreetjes. "Och, mijn knuffelbuffeltje", hoorde ik tante Hortensia zeggen. "Wat spint het mannetje toch lekker. Vind je het zo leuk bij het vrouwtje?"
Vol walging liep ik weg. Met lange tanden at ik wat Kittyhap, smulpasteitjes voor kattevriendjes. Niet voor de poes. Met een vieze smaak ging ik een tukje in de bijkeuken doen.
Tegen de middag schrok ik wakker. Wat als tante Hortensia Litteken adopteerde? Al die andere indringers hadden een eigen baas gehad, die die mormels weer terug waren komen halen. Maar stel je voor dat Litteken een zogenaamde zwerver was, zonder baas? Mijn slaap was weg. De rest van de dag heb ik op het schuurtje zitten tobben.


Litteken blijkt 'Moppie' te heten. Tenminste, zo noemt tante Hortensia hem. Bezopen. Toen ik het voor het eerst hoorde kon ik m'n lachen niet houden. Ik kijk natuurlijk wel uit om die bullebak zo te noemen. Ik ben geen held. Moppie is voor mij Meneer Moppie. Netjes met twee woorden spreken en hopen dat hij gauw ophoepelt.


Misère! Meneer Moppie blijft. We kwamen elkaar onverwacht in de gang tegen, ik kon hem niet meer ontwijken. Uit voorzorg zwaaide ik een beetje met mijn staart. Niet te veel, want ik wil hem niet onnodig uitdagen.
"Wat moet jij hier?" wilde hij weten. "Ik woon hier", antwoordde ik zo waardig mogelijk.
"Zozo. dan heb ik nieuws voor je". Zijn lachje voorspelde weinig goeds. "Vanaf nu woon ik ook hier. Die dikke tante bevalt me. Ik ben nu hier officieel komen aanlopen, je weet wat dat betekent".
Het werd me zwart voor de ogen. Hier was ik bang voor geweest: hij is aan komen lopen! Dat zit zo. Er is een eeuwenoude kattenwet die het recht van aanlopen regelt. Als wij met de baasjes - zo noemen zij zichzelf nu eenmaal - ergens anders gaan wonen, dan heet dat gewoon verhuizen. Maar als wij alleen - zonder baasjes dus - verhuizen, dan is dat 'aanlopen'. En het is een kattenwet dat iemand die officieel ergens is komen aanlopen, recht heeft om te blijven.
Meneer Moppie had nog meer noten op zijn zang. "Je snapt wel dat ik van jou geen last wil hebben. Anders kun je een haal over je kop krijgen. In 't vervolg ben ik hier de baas".
Ik mompelde iets onverstaanbaars en wilde langs hem heen glippen, maar hij hield me tegen. "Ik was nog niet klaar", blies hij. "Van nu af aan eet jij pas als ik klaar ben. Wat er dan nog over is, is voor jou".
Ik knikte beleefd, maar van binnen kookte ik van woede. Voor hij er erg in had glipte ik de zoldertrap op. Daar durft hij me niet te volgen, omdat hij er de weg nog niet kent.
Mike de muis schrok zich dood toen ik hem van de komst van Meneer Moppie vertelde. "Daar zijn we mooi klaar mee", zei hij toen ik mijn verhaal gedaan had. "Ik heb je al eens eerder gezegd dat ik vond dat de buurt achteruit ging".
"Wat moet ik doen?" vroeg ik. "Hij is een kop groter dan ik".
"Weet ik niet", zei Mike. "Zeg, zou hij muizen eten?" vroeg hij plotseling geschrokken.
"Ik denk van wel. Zo een is het wel".
"Dan weet ik wat me te doen staat". Hij legde een rode doek op de grond en begon zijn bezittingen te verzamelen.
"Wat ga je doen?"
"Verhuizen", antwoordde hij beslist.
"En ik dan?"
Hij snoof. "Wat dacht je: dat jij hier nog een toekomst hebt?" Hij schudde meewarig het hoofd.
"Maar met wie moet ik dan t.v. kijken?" riep ik uit. "Als ik je nu beloof dat ik onder Tom en Jerry mijn mond zal houden?"
"Mijn besluit staat vast".
"Je mag altijd naar Supermuis kijken".
"Ik ga", zei hij beslist terwijl hij de doek dichtknoopte en hem aan een stok over zijn schouder hing."Overal waar beschaving heerst vindt men ook een muis", zei hij." Daarom staan wij in de wetenschap bekend. Maar op de Melkweg en de Lommerlaan loopt de beschaving nu ten einde. Tijden van barbarij breken aan: men gaat weer muis eten. Ik wens dat niet mee te maken. Vaarwel Toby, je was een goede vriend. Misschien zien we elkaar nog wel eens".
"Ga je echt?" zei ik meteen brok in mijn keel.
"Echt! Tot ziens dan maar". Zonder zich nog een keer om te draaien verdween hij in een gaatje in de muur.


Poesjkin zag de zaak somber in, toen ik hem over Meneer Moppie vertelde. "Het recht van aanlopen is een heel oud recht", beleerde hij me. "Het bestaat al sinds kattenheugenis".
"Vertel mij wat", riep ik wanhopig. "Zeg me liever wat ik moet doen. Ik kan nooit tegen die bullebak op".
"Ik ben bang dat je je in je lot zult moeten schikken", antwoordde hij. "Zo beroerd ben je er niet aan toe: je hebt eten, een dak boven het hoofd..."
"...en als ik niet uitkijk om de haverklap een pak slaag van Meneer Moppie", vulde ik aan. "Dank je feestelijk!"
Poesjkin fronste zijn voorhoofd. "Je zou natuurlijk zelf ergens kunnen aanlopen", stelde hij voor. "Wat eh... Meneer Moppie kan, kan jij natuurlijk ook".
Ik dacht na. "Tja. nu je het zegt", zei ik na enige tijd. "Ik ben eigenlijk wel toe aan een verandering van omgeving. Per slot van rekening heeft tante Hortensia me behoorlijk in de steek gelaten". "Er is een tijd van komen en er is een tijd van gaan," beaamde Poesjkin filosofisch. Hij kan die dingen altijd zo treffend zeggen.

Ik kreeg een ingeving. "Wat als ik nu eens bij jou kom aanlopen?" zei ik geestdriftig.
Poesjkin keek zuinig. "Bij mij?" Zijn gezicht sprak boekdelen. Het idee sprak hem helemaal niet aan. Ik deed alsof ik het niet merkte.
"Ja, dat is toch gezellig? En na verloop van tijd word ik ook intellectueel, net als jij. En dan kunnen we samen het wereldraadsel oplossen".
Poesjkin trok een zorgelijk gezicht. "Daar komt anders wel wat voor kijken", zei hij. "Het is een harde leerschool".
"Wat bedoel je?"
"Nou, ten eerste krijg je bij ons weinig te eten", legde hij uit.
Ik schrok. "Hoezo? Krijg jij dan ook niet veel te eten?"
"Ik ben het gewend," zei hij dapper. Het moet duidelijk op mijn gezicht te lezen zijn geweest dat ik hem niet geloofde, want hij begon me omstandig uit te leggen hoe zijn dagelijks menu eruit zag. "Misschien heb ik het je nooit verteld, maar bij ons thuis zijn ze vegetarisch", zei hij.
"Maar jij toch niet?"
"Soms", antwoordde hij terwijl hij aandachtig zijn tenen bestudeerde".
"Maar waarom eten die mensen dan geen vlees?"
"Omdat mensen eigenlijk een soort koeien zijn", legde hij uit.
"Ik stond perplex. Hoewel tante Hortensia wel een beetje op een koe lijkt als ze op handen en voeten over de grond kruipt, staat ze toch het grootste deel van de tijd op haar achterpoten.
"Mensen hebben grote roze tongen, net als koeien, en ze hebben van die rare afstaande oren".
"Maar ze hebben geen hoorntjes", wierp ik tegen.
"Sommigen wel hoor!" zei hij haastig. "Die hebben zelfs een staart. Duiveltjes noemen ze dat soort mensen. Je ziet ze tegenwoordig niet zo veel meer. Ze zijn uit de mode, geloof ik. Enfin, daarom zijn mensen dus vegetarisch, omdat het koeien zijn. Daarom eten ze linzen en bonen en wortelen..."
"Eet jij wortelen?" vroeg ik ongelovig. Ik rilde bij de gedachte.
Hij aarzelde. "Wortelen niet direct, maar wel andere dingen".
"Spruitjes?" vroeg ik.
"Eén keer, geloof ik".
"Knolraap?"
"Ook wel".
Ik huiverde. "Wat vies".
Hij knikte ernstig. "Ja, heel vies. Ik raad je daarom aan maar niet bij ons aan te lopen. We wonen al klein en het eten deugt niet. Waarom probeer je het eigenlijk niet bij Silly?
Stom! Stom! Dat ik daar niet aan gedacht had. "Bedankt voor de tip. Ik ga het morgen meteen in orde brengen". Opgeruimd ging ik naar huis.


In de bijkeuken geprobeerd te slapen, maar ik schoot telkens wakker. Was het eigenlijk wel zo'n goed idee om bij Silly aan te lopen? Kon ik tante Hortensia zomaar in de steek laten? Ze had me verraden, dat was waar. Maar ze was toch ook een gezellige dikkerd met een groot hart, die heerlijke prakjes met jus kon maken. Daar stond weer tegenover dat ze ook in staat was je dag in, dag uit een hele grossiersverpakking Tsjomp in de maag te splitsen, tot je 't zuur ervan kreeg. Ineens stond mijn besluit vast. Nooit meer Tsjomp! Ik zou huize Hortensia de rug toekeren. Bij wijze van afscheid wierp ik nog een blik in de zitkamer. Meneer Moppie draaide met een stijve staart om tante Hortensia's benen. Ze aaide hem. Walgelijk. Ik maakte rechtsomkeert en rende regelrecht naar het huis van Natjes om Silly van mijn plannen op de hoogte te brengen. Bij het tuinhek botste ik tegen Bokma op, die daar de wacht hield.
"Hela, wat kom jij hier doen, poetslap? Maak dat je wegkomt", snauwde hij.
Wat een manieren! Bokma is niet voor niets hond van het jaar geweest. "Opzij", zei ik uit de hoogte. "Ik kom hier aanlopen".
Zijn bek viel open van verbazing. "Wát kom jij hier doen?"
"Aanlopen".
"Komt niks van in", zei hij toen hij van zijn verbouwereerdheid was bekomen. Hij versperde mij de weg.
"En waarom niet?" vroeg ik boos. "Je weet toch dat een kat mag aanlopen waar hij wil?"
"Oh ja? Ik ben anders een hond", zei hij met alle waardigheid die zijn hondehart kon opbrengen. "Wij weten dat soort dingen natuurlijk niet".
"Dan wordt het hoog tijd".
Bokma zette een hoge borst op. "Geen denken aan. Aanlopen is voor katten. Jullie zijn nu eenmaal een trouweloos slag beesten. Nee, dan wij honden. Wij zijn tenminste trouw aan onze baasjes".
Bij het woord 'baasje' begon zijn staart ontroerd met de rest van de hond te kwispelen.
"Bah", zei ik vol minachting.
"Wij honden hebben plichtsbesef", vervolgde Bokma. "Wij zorgen ervoor dat er geen onbevoegden op het erf van onze baasjes komen". Hij zei dat zo gewichtig dat ik hem een ogenblik lang voor me zag met een politiepet op en zo'n enge halsband met stekels om zijn nek. "Ophoepelen" bromde hij bars. "Hier wordt niet aangelopen. Het is geen weeshuis". En hij begon luid te blaffen. Meteen dook het onaangename gezicht van Natjes tussen de cactussen op. Toen hij mij zag liet hij zijn gele tanden zien. Zo hond, zo baas. Toen liep hij paars aan en rende naar de deur. Ik wachtte zijn komst niet af. Haastig maakte ik me uit de voeten.
In de bijkeuken sprokkelde ik wat brokjes bij elkaar die Meneer Moppie niet meer bliefde. Ik was de ongelukkigste kat van de wereld, dat stond wel vast. Hoe zou het met Silly zijn? Sinds die rare nacht van haar concert heb ik niets meer van haar vernomen. Zou zij mij nu ook in de steek laten? Arme ik.


Als niemand me wil hebben weet ik wat me te doen staat: ik word zwerfkat. Mijn besluit beviel me. Ik begon meteen al door me vanochtend niet te wassen. Als zwerfkat moet je er een beetje mottig uitzien, getekend door het avontuur en ruige leven. Ik spiegelde me in een plas water en merkte dat ik helemaal geen bink was. Ik zag alleen maar een ongewassen kat met droevige ogen. Met een brok in de keel liep ik het bos in. Ik zou Poesjkin nooit meer terugzien, en tante Hortensia natuurlijk. Het speet me zelfs een beetje dat Bokma voor altijd uit mijn leven zou verdwijnen. Mike de muis zou ik ook nooit meer zien, die had zelf al eieren voor zijn geld gekozen. En Silly... Ik zuchtte diep. Ik wist niet dat het leven van een zwerfkat zo zwaar was. Nog één keer keek ik achterom naar het huis van tante Hortensia. Toen trok ik de wijde wereld in, een nieuw leven tegemoet.


Mijn eerste dag in de openlucht zit erop en ik moet zeggen dat het me niet tegenviel. Misschien is het bestaan als zwerfkat zo kwaad nog niet. Een probleem is alleen dat je niet regelmatig te eten krijgt. Dat is slecht geregeld. Nu is het behelpen geblazen. Bij de boerderij van boer Zult is het lot me gunstig gezind. Buiten, bij de bijkeuken staat een prakje te wachten op de boerderijpoes. Ze is in geen velden of wegen te zien dus ontferm ik me er maar over. Zwerfkatten mogen dat soort dingen. Bovendien: niemand mag de kat van boer Zult. Ze heeft altijd een humeur om op te schieten. Men zegt dat ze van spinnekoppen en pissebedden leeft. Bah! In elk geval laat ze haar kostelijke prakjes buiten verpieteren. Doodzonde. Als ik het niet opeet, staat het hier gewoon te beschimmelen. Stel dat het was gaan regenen? Wat heb je dan? Een verregend prakje, al die heerlijke jus verwaterd! Eigenlijk goed dat ik voorbijkwam, anders hadden ze het waarschijnlijk wel kunnen weggooien.
Slecht geslapen. Van Silly gedroomd. Ze wil niets meer van mij weten, omdat ik haar verraden heb.


Honger! Wat heb ik een vreselijke honger. Het is niet uit te houden. Ik zie scheel van de trek. Waarom ben ik niet gewoon bij tante Hortensia gebleven? Een blikje Tsjomp! , zelfs die blubbertroep, lijkt me nu een godenmaal. De hele dag sjouwde ik moedeloos door het bos op zoek naar iets eetbaars. Ik heb wat bessen van een of ander struikje gegeten, maar ze smaakten nogal bitter.Tegen het eind van de middag kwam ik bij de bosrand een kip tegen. Het was een grote witte kip, met een hooghartige snavel. Een echte tut-hola. Ze moet aan mijn ogen gezien hebben dat ik stierf van de honger, want ze begon zenuwachtig te kakelen.
"Wat zitje me aan te staren?"
Ik lust graag kip. Uit blik tenminste. Kip uit blik is lekker gaar en ziet er hapklaar uit als het in je bakje ligt. Maar zo in het wild - als deze - zijn kippen mij toch te groot.
"Ik zie het wel", zei de kip. "Het water loopt je in de mond. Ik waarschuw je: ik ben niet lekker. Ik ben een legkip, en legkippen zijn vreselijk taai. Jakkes, wat zijn wij taai".
"Nou en?"
"Kijk niet zo verlekkerd naar me, daar word ik nerveus van". Er speelde een zenuwtrekje bij haar oog.
En dan al die veren, overlegde ik bij mezelf. Wat moet je daarmee? Stel dat je een hap van zo'n ongeplukte kip als deze wilt nemen: het enige wat je in je mond krijgt is een hap lucht met veren. Je kunt net zo goed een kussen opeten. Nee, ze moeten hapklaar zijn, deze is niks voor mij.
De kip deed een stapje achteruit. "Als je me aanraakt roep ik meneer de haan erbij", dreigde ze. "Pas maar op. Meneer de haan houdt helemáál niet van jouw grapjes.
Die pikt je net zo lang in je gat tot je niet meer kan zitten".
Ineens kreeg ik een ingeving. Ik versperde haar de weg en keek haar vals aan.
"W ...wat doe je", stamelde ze. "D...dat is niet aardig van je".
"Je ei of je leven!" riep ik.
"P...pardon?"
"Ik laat je lopen als je een ei voor me legt", verklaarde ik.
"Een ei?"
Ik knikte. "Een ei". Ik ben dol op ei. Vroeger toen ik nog huiskat bij tante Hortensia was kreeg ik wel eens ei: geklutst over oud brood. Een delicatesse.
De kip lachte bleekjes. "Maar dat is pure struifroverij", kakelde ze geschokt.
"Hier met dat ei!" Ik keek nog valser.
De kip werd bleek om de snavel. Ze begreep dat het menens was. "Vooruit dan maar", zuchtte ze terwijl ze door haar poten zakte. Ze trok een gewichtige frons in haar voorhoofd, zette haar verstand op nul en haar blik op oneindig.
Na een minuut of wat begon ik mijn geduld te verliezen. Straks zaten we hier met Sint Juttemis nog. "Komt er nog wat van?" mopperde ik. "Een ei leggen is toch niet zo moeilijk?"
"Als jij het zo goed weet, waarom leg je er dan zelf niet een?" snibde ze.
"Doe niet zo idioot."
"Ah, daar komt het", zei ze. Ze kneep haar ogen stijf dicht. Plotseling begon ze op opgewonden toon te kakelen: "Tok tok tok, alweer een ei!" Ze opende één oog. "Dat hoort erbij", zei ze verlegen. "Kippetraditie". Even later stond ze op.
"Oh", zei ik watertandend. "Wat mooi!" Op de plek waar ze had gezeten lag een groot wit ei. De kip keek zuinig. "Nu moet je me wel laten gaan. Beloofd is beloofd".
Ik deed een stapje opzij. De kip zette het op een lopen.
"Afperser!" riep ze toen ze op veilige afstand was. Het kon me niets schelen wat ze zei, ik had alleen maar oog voor mijn ei.


Ik heb een probleem. Hoe krijg je een ei open? Gisteren heb ik tot het donker werd geprobeerd het open te krijgen, maar niets hielp.Ik heb het van alle kanten bekeken, maar ik kon geen opening vinden, nergens een deksel of iets dergelijks. Het zit potdicht. Ik wou dat Poesjkin er was, die had er wel raad op geweten. Omdat ik toch wat moest eten liet ik mijn ei in de steek en stroopte de picknickplaatsen in het bos af. In een vuilnisbak vond ik wat worstvelletjes en een boterham met pindakaas. Beter iets dan niets.


Ik heb het ei weer opgezocht, maar het raadsel blijft: hoe krijg je zo'n ding open? Hoe deed tante Hortensia dat ook al weer? Ach, waarom heb ik niet beter opgelet toen ze mijn eten klaarmaakte? Over het bospad zag ik een bekende figuur aankomen.Bokma. Zodra hij me in de gaten kreeg begon hij breed te grijnzen.
"Kijk, kijk, daar hebben we de wegloper. Al een nieuw thuis gevonden Toby? Nee zeker. Ha! Ha! Ha! Wie wil jou nu hebben!"
Ik deed net alsof ik het niet gehoord had. "Bokma", begon ik zoetsappig, "wij zijn altijd goede vrienden geweest".
"Oh ja?" Hij snoof ongelovig. "Hoe kom je daarbij?"
"En omdat je mijn vriend bent weet ik een voordelige ruil voor je".
Zijn ogen lichtten op. "Oh ja? Wat voor ruil dan?"
"Jij krijgt dit ei van mij als jij mij wat van jouw eten komt brengen. Nou?"
"Mijn verrukkelijke Happie, hondeverwenners met echt vlees aan jou geven?" vroeg hij ongelovig. "Geen denken aan!"
Ik wist dat ik diep door het stof moest kruipen wilde ik mijn zin krijgen. "Dat snap ik", zei ik nederig, "wat hondebrood is ook goed".
"Waarom eet jij dat ei eigenlijk zelf niet op?" wilde hij weten.
Ik zuchtte. Ik moest nog dieper door het stof. "Ik kan het niet open krijgen", bekende ik beschaamd.
Hij begon hinnikend te blaffen. Zo lacht hij. "Is dat alles? Kom, dan zal ik je voordoen hoe je een ei openmaakt".
Voor ik er erg in had, had hij het ei in zijn bek genomen. Krak! hoorde ik. Even later droop het struif hem langs de kaken.
"Hela!" riep ik boos. "Wat doe je? Dat is mijn ei!"
"Lekker eitje", zei hij smakkend. "Had wel wat verser gekund".
"Geef me mijn ei terug!"
Bokma grijnsde vol leedvermaak. "Stom van me, he? Ik kan nu eenmaal geen ei breken zonder het op te eten. Enfin, je weet nu hoe het moet. Dat komt je nog van pas voor je loopbaan als straatkat. Ha! ha! ha!" Schuddend van de lach vervolgde hij zijn weg.
Ik kookte van woede, maar wat kon ik doen? Die rothond! Wacht maar, vroeg of laat zal ik me wreken. Uit armoede wat oud brood opgescharreld bij de picknickplaats en onder de struiken geslapen.


Zo gaat het niet langer! Weer een dag met honger rondgelopen. Dat is toch geen leven! De vuilnisbakken bij de picknickplaatsen zijn geleegd, daar is ook geen korst brood meer te halen. Dan maar teruggaan naar tante Hortensia? Dat nooit! Maar voor ik er erg in had, hadden mijn poten al de weg ingeslagen naar de Lommerlaan. Een diepe neerslachtigheid maakte zich van mij meester. Ik kan je verzekeren dat dat geen pretje is. Van nature ben ik toch al een beetje een tobber. En nu ik met hangende pootjes en de staart tussen de benen terugging naar tante Hortensia en naar die afschuwelijke bullebak met zijn kop vol littekens, die bij haar is komen aanlopen. Mijn tweestrijd was vreselijk. Poten en buik wilden naar de warme kachel en een bakje eten uit blik, maar hoofd en hart... Ik wist niet wat ik moest doen. Als Silly nou eens... Maar de vensterbank bij Natjes was leeg, geen Silly.Bokma zat voor het tuinhekje. Toen hij mij zag begon hij te lachen. Ik draaide me zo waardig mogelijk om. Tussen de begonia's van tante Hortensia zat bullebak Moppie me vol leedvermaak aan te kijken. Tante Hortensia zat op de tuinbank, buurman Natjes zat naast haar en at al de rumbonen op die hij altijd voor haar meeneemt. Hoewel ik open en bloot midden op de weg stond, zag ze me niet eens. Ze had alleen oog voor die griezel, voor die Natjes.
Ik rechtte mijn rug, ik wist genoeg: ik was hier niet gewenst. Met een brok in de keel sjokte ik de Lommerlaan uit de wijde wereld in.
Als ik maar niet zo'n honger had!


Toen ik 's-ochtends met knorrende maag wakker werd herinnerde ik me ineens de vuilnisbakken en spoeltonnen bij Restaurant Boslucht. Natuurlijk, daar moest wat te halen zijn! Als die enge rat die daar woont, die Klepsydra, er maar niet was. Ze was er wel.
Ze zat in de opening van een leeg conservenblik en zag er weldoorvoed uit, om niet te zeggen: dik. Tot mijn verbazing was ze in een opperbest humeur en begroette ze me joviaal.
"Zo scharminkel, laat jij je ook weer eens zien?" De welvarende rat zat op haar gemak in het zonnetje te midden van een half verorberd koud buffet, dat uit een gescheurde vuilniszak naar buiten puilde. Het water liep me in de mond.
"Wat sta je daar toch te dreutelen, ik eet je niet op", mopperde ze toen ze merkte dat ik veiligheidshalve een beetje uit haar buurt bleef. "Je ziet, jongen, de magere jaren zijn voorbij". Klepsydra wees met een breed gebaar naar de slaatjes, de vispasteitjes, de half afgekloven kippebotjes, de kaassoufflé's, de stokjes sate en wat al niet."Ze zijn bij Boslucht afgestapt van de diners en in de personeelsfeestjes gegaan. Koude buffetten en zo. Worden nooit helemaal opgegeten. Wat sta je daar nou? Neem ook wat". Puffend en steunend richtte ze zich op. "Wat moet je?" vroeg ze. "Poffertjes? Niet? Zalmsalade? Het is goeie"
Het water liep me in de mond. "Zalmsaladegraag".
"Pak zelf maar, ik kom tegenwoordig wat moeilijk overeind, weet je". Tevreden keek ze toe hoe ik een plastic bordje met zalmsalade naar me toe haalde en leegschrokte.
"Nou nou", zei ze fronsend. "Jij hebt zeker lange tijd niets te bikken gehad".
"Zeg dat wel", gaf ik toe.
"Uit huis gezet omdat de baasjes op vakantie zijn gegaan?" vroeg ze hoofdschuddend. "Dat krijg je ervan. Als huisdier heb je geen bestaanszekerheid".
"Ik ben zelf weggegaan. Het zwerversleven trok me, weet je".
"Dat zal wel", gaapte Klepsydra weinig overtuigd". Als je het niet erg vindt, ga ik nu een tukje doen. Goed voor de spijsvertering. Neem gerust als je nog trek hebt. Ik krijg het toch niet op". Kreunend maakte ze aanstalten zich in haar conservenblik terug te trekken. "Oh ja, Toby, er is nog iets. Doe me een lol en wek me als de vuilnisman komt. Ik ben vroeger al eens een keer meegenomen en dat beviel toch niet".
Ik knikte. Tevreden ging Klepsydra het blik in. Even later hoorde ik het regelmatige gesnurk van een rat die goed getafeld heeft.


Het regende de hele dag. Al vroeg meldde ik me bij de vuilniszakken en spoeltonnen van Restaurant Boslucht.Klepsydra was al op en zat zich in haar conservenblik vol te proppen met slagroomtaart.
"Zo, ben je daar nu pas?" zei ze met volle mond. "Ik ben al de hele ochtend bezig. Ik heb al twee bitterballen en een portie huzarensalade op. Die moet je ook proberen. Neem toch, jochie!"
Ik inspecteerde de hoop etensresten, maar de verregende slaatjes leken me toch een stuk minder smakelijk dan gisteren. Ik at een paar verpieterde sardientjes.
"Lekker, he?" riep Klepsydra uit haar blik.
"Heerlijk", loog ik. Ik probeerde een gehaktbal. Bah! Mensen stoppen tegenwoordig ook overal knoflook in. In een plas mijn mond gespoeld. Later in de buurt een droog plekje opgezocht om te slapen. Viel niet mee.


Regen. Bokma liet zich ook weer eens in de buurt van de spoeltonnen zien. Hij en Klepsydra zijn dikke maatjes. Hun vriendschap dateert nog uit de magere jaren, toen Bokma in ruil voor een soepbeen vuilnisbakken voor haar omgooide.
"Hallo Klepsydra, ouwe dibbes!" begroette hij haar joviaal. Ouwe dibbes. Ik wist niet dat Bokma zulke rare woorden kende. "Toby, jij ook hier?" begroette hij mij koeltjes.
"Ah, Bokma", klonk het achter uit het conservenblik.
Bokma stak zijn neus naar binnen. "Je klinkt wat benauwd, een koutje opgelopen?" informeerde hij meelevend. "Wat eten we vandaag? Ah, ik zie het al". Zonder het antwoord af te wachten stortte hij zich gulzig op een half ondergelopen schaal aardappelsalade.
"Nee, ik ben kerngezond", antwoordde Klepsydra, "maar er is iets vervelends gebeurd: ik zit klem in mijn blik".
Nieuwsgierig keek ik naar binnen. In het halfduister zag ik de gevulde gestalte van de rat. Boven haar opgezette buik kon ik nog net haar neus zien. In haar poot had ze een stuk mokkagebak dat ze over haar buik in haar mond probeerde te schuiven. Ik had moeite om niet te lachen. Klepsydra had zichzelf ingeblikt. Bokma had zijn salade naar binnen gewerkt en kwam luid boerend en nasmakkend weer een kijkje nemen.
"Gossie Klepsydra, jij hebt het er wel goed van genomen zeg, dat je zo'n pens hebt gekregen".
"Vertel me liever hoe ik hier weer uit kom".
"Met een blikopener", stelde ik voor.
"Klets. Je weet trouwens niet eens hoe zo'n ding werkt", zei Bokma.
"Dan niet. Dan zul je moeten afvallen", zei ik tegen de beknelde rat. "D'r zit niks anders op".
"Hoe doe je zoiets dan?"
"Met aerobics", opperde Bokma na enig nadenken.
"Wat is dat?" vroeg ze.
Hij aarzelde. "Weet ik niet precies. Er is een mens dat Jane Fonda heet, die doet het en die wordt er mager van".
"Maar wat doet ze dan?" vroeg Klepsydra ongeduldig.
"Dansen! Kijk, zo: van je een... twee... hup... Yeah! Yeah!" Bokma begon vol overgave te huppelen en met zijn kop te zwaaien. Ik lachte me dood. Beledigd hield hij op. "Ah, meneer Toby weet het weer beter", snauwde hij. "Toevallig heb ik dit geleerd van Sjors, de pitbull van de sportschool. Die kan het weten".
"Volgens mij moet Klepsydra gewoon een tijd niks eten", zei ik.
Het was even stil in het blik. "En mijn mokkagebak dan?"
"Die moet je laten staan, er zit niks anders op".
Wat Klepsydra toen zei, zal ik maar niet navertellen. Hoewel ze de beroerdste niet is, blijft het toch een rat en die kennen een hoop lelijke woorden.


Klepsydra zat klem. Ze had de kok van Restaurant Boslucht horen mopperen dat het afgelopen moest zijn met die stinkende rotzooi achter zijn keuken. Er moest een grote opruiming worden gehouden. Hij zou een grote container laten komen, waarin hij al het afval kwijt kon. Klepsydra, die zichzelf door haar vraatzucht in een conservenblik had klem gegeten, kreeg de zenuwen toen ze dit hoorde. Per ongeluk meegenomen worden door de vuilnisman, dat was de grootste nachtmerrie van haar leven. Met een uiterste krachts- inspanning van haar dikke lijf was ze met haar blik aan het rollen gegaan om maar zover mogelijk uit de buurt van de vuilnisbelt te geraken. Helaas wist ze niet dat het erf achter het restaurant een beetje bergaf liep. Voordat ze er erg in had begon het blik vaart te maken. En omdat er geen rem op conservenblikken zit, rolde ze steeds sneller het heuveltje af, totdat ze tenslotte onzacht tegen een boomstam tot stilstand kwam. Zo vonden Bokma en ik haar: ondersteboven in haar blik. Ze kon geen vin verroeren. Om haar neus was het akelig groen en aan haar ogen was te zien dat ze behoorlijk draaierig was.
"Lieve help, Klepsydra", riep Bokma geschrokken toen hij zijn zakenvriendin in haar benarde toestand zag, "wat doe jij daar zo?"
Er kwam een reeks onverstaanbare klanken achter uit het blik, waarin ik de woorden 'misselijk' en 'duizelig' kon ontdekken. Tenslotte riep de rat gesmoord: "Ik wil hier weg..."
Bokma keek me niet begrijpend aan. "Ze zegt dat ze naar de Kwillierweg moet", zei hij. "Weet jij waar die is?". Hij stak zijn neus weer in het blik. "Welk nummer op de Kwillierweg?"
"Stomkop", zei ik. "Ze zei: 'ik wil hier weg'".
Zijn snuit klaarde op. "Oh, zeg dat dan meteen. Dan kunnen we net zo goed naar snackbar 'Dennis' gaan. Daar ligt veel lekkers in de vuilnisbak". Uit het conservenblik klonken opnieuw gesmoorde geluiden. Wat ze betekenden was niet duidelijk, maar voor Bokma was dat geen bezwaar. "Mooi zo", zei hij opgeruimd. "Ik wist wel dat je het een goed idee zou vinden". Hij nam het conservenblik bij het deksel en sloeg de weg naar het dorp in. Ik bleef achter bij de vuilnishoop. Na lang zoeken vond ik nog wat eetbaars, maar smakelijk was anders. Ik moet een andere stek vinden om te voorkomen dat ik van mijn graatje val. Teruggaan naar tante Hortensia? Dat kan altijd nog, voorlopig blijf ik zwerfkat.


Met knorrende maag door het bos naar de Lommerlaan gekuierd. De picknickplaats was goed geweest voor een boterham met plokworst, wat ik normaal gesproken niet blief. Plotseling hoorde ik een bekende stem mijn naam roepen.
"Tobiasje! Tobiasje, waar zit het mannetje dan?"
Als aan de grond genageld bleef ik staan. Tante Hortensia. Er schoot een brok in mijn keel. Ik wilde meteen naar haar toe rennen en haar onder kopjes bedelven en het weer goed maken, toen ze ineens alles weer verpestte.
"Je bent stout om weg te lopen. Die grote poes doet heus niets", riep ze. "Kom maar terug bij het vrouwtje, dan krijg je lekkere balletjes Tsjomp!"
De brok schoot uit mijn keel, het zuur schoot erin. Ik had ineens geen honger meer. Haastig trok ik me terug in de struiken.
"Tobiasje, waar zit mijn knullebulletje toch", riep ze.
Dat deed de deur dicht. Ik, Tobias, ik ben geen knullebulletje. Ik ben een volwassen zwerfkat die zich hooguit één keer per week wast en die beslist nóóit in bad gaat. Gekwetst keerde ik tante Hortensia de rug toe en liep het bos in, het volle leven tegemoet. Na vijftig meter begon mijn geweten te knagen. Was ik niet te onaardig voor tante Hortensia? Ze miste me echt. Of leek het maar zo? Waarom papte ze aan dan met buurman Natjes, een erkend kattenhater? En waarom houdt ze Moppie, dat ellendige mormel? En waarom moet ik Tsjomp! eten? En dan het ergste: waarom noemt ze me knullebulletje? Wij katten hebben toch ook onze trots?


Op het Bospad kwam ik Poesjkin tegen. Onze verhouding is wat bekoeld sinds hij ertegen was dat ik bij hem thuis wilde komen aanlopen.
"Ah, Toby, nog steeds in de buurt?" begroette hij me.
"Zoals je ziet".
"En, wordt het al wat met de zwerverij?"
"Och, zo z'n gangetje".
"Ik kwam je overal tegen in het dorp".
Ik begreep niet goed waarover hij het had. "Wie kwam je tegen?"
"Jou. Heb je jezelf dan nog niet gezien?"
"Eh, nee", zei ik. Waar had hij het over?
"Kom maar mee, dan zal ik het je laten zien".
Ik volgde hem naar het dorp. Onderweg viel het me op dat er links en rechts op etalageruiten en muren aanplakbiljetten waren geplakt. Toen ik ze eens goed bekeek kreeg ik bijkans een beroerte van schrik.
"Nou?" vroeg Poesjkin triomfantelijk.
"D...dat ben ik op die aanplakbiljetten". Er was een foto van mij afgebeeld, die tante Hortensia afgelopen winter had gemaakt. Ik draag daarop een jasje, dat ze voor mij gebreid had.
Met hernieuwde belangstelling bekeek Poesjkin de foto. "Toch een leuk jasje", zei hij waarderend.
"Ach man, zeur toch niet", mopperde ik. Ik schaamde me dood. Wat als Silly me in dat clownspak zag? "Vertel me liever wat ze erbij geschreven hebben", zei ik. Poesjkin kan lezen.
"Wil je dat echt weten?"
Ik was op mijn hoede. "Is het erg?" wilde ik weten.
"Een beetje".
Ik zuchtte diep. "Hoe erg is een beetje?"
Hij las voor: "Wie heeft mijn poezebeest gezien? Hij luistert naar de naam Tobiasje. Het is een gestreept katertje..."
"Hela, niet grof worden", viel ik Poesjkin verontwaardigd in de rede. "Ik ben geen 'gestreept katertje', maar een cyperse zwerfkater en ik reageer nooit als ze me Tobiasje noemen".
"Het staat er heus", verdedigde Poesjkin zich. "Ik kan het ook niet helpen". Hij las verder: "Tobiasje heeft 'n paar dagen geleden het vrouwtje in de steek gelaten en nu is ze erg verdrietig. Wie het kereltje vindt moet hem terugbrengen bij H. Mispelblom, Lommerlaan 10.
Voor de vinder staat een zelfgebakken appeltaart klaar".
"Wat?" riep ik verontwaardigd. "Een appeltaart? Ben ik haar niet méér waard? Is dat nou m'n loon voor jaren kopjes geven en spinnen tot je er beroerd van wordt? Eén appeltaart? Heeft ze er niet meer voor over om mij terug te krijgen? Bah!"
"Ik wist niet dat jouw tante Hortensia Mispelblom van achteren heette", zei Poesjkin verwonderd.
"Van voren heet ze ook zo en ze is 'mijn' tante Hortensia niet meer!" Boos liep ik de Dorpsstraat uit. Van alle kanten staarde de foto op het aanplakbiljet me aan. Om gek van te worden. Ik moest snel maken dat ik wegkwam uit het dorp. Straks werd ik nog herkend en naar de Lommerlaan gebracht in ruil voor één miezerige appeltaart. Dat was mijn prijs. Bij Snackbar Dennis zag ik Bokma naast het conservenblik met Klepsydra zitten. Toen ik voorbijkwam begon hij vol leedvermaak te lachen. "Mooie foto, Toby", riep hij me na. "Net een echte zwerfkat in dat apepakje".
"Val dood, rothond!" Ik zocht zo snel mogelijk een goed heenkomen in het bos.


Zolang die aanplakbiljetten daar hangen kon ik me niet in het dorp laten zien. Ik voelde me net een misdadiger. Opsporing verzocht! Gevaarlijke kater... Meteen de politie waarschuwen... Niet in de buurt komen... Tot de tanden toe gewapend... Wat gegeten bij de picknickplaats. Na een dutje besloot ik het Bospad eens helemaal af te lopen. Ik was benieuwd waar ik uitkwam. In dat deel van het bos was ik nog nooit geweest.


Het bospad was veel langer dan ik dacht. Bovendien zat het vol kronkels en bochten, zodat ik geen idee had welke kant ik opging. Intussen stierf ik van de honger. Hoe komen echte wilde katten aan de kost? Wat zouden ze eten? Bessen? Ik heb er een paar geprobeerd, maar ze smaakten vies. Ik kreeg er het zuur van. Ik had een paddestoel kunnen proberen. Maar wat als hij giftig was? Ik had wel eens gehoord dat wij katten in de vrije natuur instinctief weten welke paddestoel eetbaar is en welke niet. Voorzichtig rook ik aan een smakelijk uitziend exemplaar, maar mijn instinct zweeg in alle talen. Zou ik wel een instinct hebben? Misschien horen katten helemaal geen paddestoelen te eten, dacht ik toen mijn instinct nog steeds niets van zich liet horen. Met lege maag ben ik maar doorgelopen tot ik tenslotte geheel verdwaald was. Onder een struik geslapen.


Een plensbui dreef mij onder mijn struik vandaan. Links, rechts en onder mij stroomden kleine riviertjes. Toen begreep ik dat ik voor het wilde leven niet in de wieg gelegd was. Ik besloot terug te keren naar de mensen.


Eindelijk, de rand van het bos! Aan de overkant van een weg stond een villa omringd door hoge bomen en een groot grasveld. Het was een wat ouderwetse villa en vanuit katten- oogpunt zag hij er veelbelovend uit. Waarom? Goede vraag. Dit huis was er een uit de goede oude tijd waarover mijn moeder me vroeger veel heeft verteld. Wat at een echte Hollandse huiskat vroeger toen er nog geen blikjes waren? Precies: aardappels met jus, in de wandeling 'prakje' genoemd. Mijn lievelingskostje. Daarom leek mij dit een goed huis om aan te lopen. Voorzichtig verkende ik terrein. Je wist maar nooit of hier familie van kattenhater Natjes woonde. Bij de keuken rook het naar sudderlappen. Het water liep me in de mond, nu wist ik het zeker: dit was een prakjeshuis. Hier ging ik aanlopen! Ik werd zo in beslag genomen door mijn knorrende maag dat ik niet merkte dat er om de hoek van het huis iets met grote snelheid dichterbij kwam. Voor ik het uit de weg had kunnen gaan, werd ik plompverloren ondersteboven gelopen. Ik kreeg een staart als een pleeborstel en begon alvast maar te blazen. De omverloper was bezig zijn poten en zijn staart uit de knoop te halen. Het was een reusachtige Deense dog, met grote onnozele ogen en mallotige hangoren, die ze vergeten hadden in punten te knippen.


"Jottem!" hijgde hij. "Is me dat schrikken! Een poezebeest!" Hij begon enthousiast kwispelend om me heen te dansen. "Wie ben jij?" vroeg hij met de tong uit de bek.
"Tobias", antwoordde ik op mijn hoede. "Van goede Cyperse familie. Ze noemen me meestal gewoon Toby".
"Jottem, Toby. Wat een leuke naam, zeg!" En hij begon te giechelen, alsof ik hem een goeie grap had verteld.
"En hoe heet jij?" vroeg ik, terwijl ik maakte dat ik uit de buurt van zijn zwiepende staart kwam.
"Gompie!" riep hij alsof ik hem een moeilijke vraag had gesteld.
"Heet je zo?" vroeg ik beleefd.
"Nee, natuurlijk niet. Ik heet Mikkelsen!" Hij kreeg opnieuw een giechelaanval. "Wat kom je hier doen, Toby?" vroeg hij toen hij weer tot bedaren was gekomen.
"Ik denk erover aan te komen lopen", zei ik voorzichtig.
"Bij ons?"
"Eh, ja".
"Jottem! Wat leuk". Hij kreeg nu zo'n lachbui dat hij door zijn poten zakte. De tranen sprongen hem in de ogen. Hij ging op zijn rug liggen en kreeg de hik. Het duurde even voor hij weer overeind kwam. "Dat moet MacWaff horen!" riep hij. Voor ik er erg in had, rende hij weer de hoek om. Even later kwam hij lachend en blaffend terug in het gezelschap van een Yorkshire terriër, met een strikje op zijn kop om de haren uit zijn ogen te houden. "Dit is hem, Mac!" riep Mikkelsen opgetogen. "Toffe poes, jongen!"
"MacWaff, aangenaam", sprak de Yorkshire terriër vormelijk.
"Toby", stelde ik mij voor.
"Hij komt aanlopen, Mac! Leuk, he?"
MacWaff keek zuinig. "Dat is allemaal goed en wel, en ik weet heus wel dat dat een oud kattenrecht is, maar als we iedereen toelaten wordt het een zootje. Heb je een strafblad?" vroeg de Yorkshire terriër me.
"Nee", zei ik op goed geluk. Ik had geen idee wat een strafblad voor soort
blad was.
Hij keek me onder zijn opgebonden kuifje doordringend aan. "Je hebt dus niets op je kerfstok".
"Ik geloof niet dat ik een kerfstok heb", zei ik.
"Heb je wel eens wat gedaan dat niet door de beugel kon?"
Ik dacht aan de kip, die ik een ei had afgeperst toen ik nog zwerfkat was. Haastig schudde ik mijn hoofd.
"Mmmm..." MacWaff dacht na. "Ben je lid van een vakvereniging?" vroeg hij.
Ik wist niet goed wat ik me daarbij moest voorstellen, maar aan zijn stekende ogen te zien was dat niet iets waarmee je bij hem in de smaak viel.
"He, doe niet zo flauw, Mac!" riep Mikkelsen. Hij wendde zich tot mij. "Dat komt alleen maar omdat hij het niet leuk vindt wanneer ik en mijn vrienden van D'88 een feestje bouwen", zei hij tegen mij.
"D'88?" Ik was een boon als ik er iets van begreep.
"Een vakvereniging van Deense doggen die in 1988 geboren zijn". Er klonk trots in Mikkelsens stem. "Leuk hoor!"
"Zijn nestgenoten komen een keer per jaar op bezoek", legde MacWaff droogjes uit. "Een ramp. Je wordt voortdurend door horden Deense doggen onder de voet gelopen".
"We houden dan een congres", verklaarde Mikkelsen gewichtig. "We blaffen gezellig door elkaar heen en 's avonds gaan we met z'n allen naar de maan huilen. Een pret dat we hebben!".
MacWaff haalde zijn neus op. "Ze kwijlen de hele boel onder", mopperde hij. "En ze willen allemaal met die grote neuzen van hen onder je staart ruiken. Doodmoe word je ervan. Denk je even rust te hebben, word je weer door zo'n nat koud ding omvergeduwd. Bah! Daarom wil ik hier geen andere vakverenigingen meer, één is al meer dan genoeg".
Ik kon hem geruststellen, ik was nergens lid van.
"Goed", zei MacWaff tenslotte. "Wat mij betreft mag je komen aanlopen. Het huis is groot genoeg en Suffie zal wel geen bezwaar hebben".
"Suffie? Wie is dat", vroeg ik.
"Er is nog een kat in huis en die heet zo", zei Mikkelsen.
Een andere kat, daar had ik niet op gerekend.
"Is het een grote kater met littekens op zijn kop", vroeg ik alsof het me eigenlijk niks kon schelen.
De twee honden keken elkaar aan. "Grote grutten", zei Mikkelsen tenslotte. "Ik weet niet of Suffie littekens heeft. Hij ligt altijd bij de verwarming te slapen, dat is het enige dat ik van hem weet".
"Hij is stokoud", vulde MacWaff aan. "Niemand weet precies hoe oud. Hijzelf ook niet. Hij heeft een paar verjaardagen verslapen en daardoor is hij de tel kwijtgeraakt".
Dat klonk niet slecht. Zo'n ouwe knar kon ik nog wel aan. "Hoe zijn de mensen", wilde ik weten.
MacWaff gaf uitleg. De eigenlijke baas heette Doppelkom. Hij schreef boeken over voorwereldlijke dieren. Dinosaurussen en zo. Dat waren onbekende dieren die niet meer bestonden, legde MacWaff me uit. Meer wist hij er ook niet van. De belangrijkste persoon in huis was Baarda, de vrouw van de tuinman, die voor Doppelkom kookte en de was deed. Zij zorgde er ook voor dat Mikkelsen, MacWaff en Suffie te eten kregen. Hier viel MikkeIsen hem in de rede. Hij was er niet zo zeker van of Suffie wel at. Hij had het hem tenminste nooit zien doen.
Toen stelde ik de vraag die me op de tong brandde: "Wat denken jullie? Zou ik mogen blijven, of word ik weggejaagd?".
De honden keken elkaar aan. "Oei, oei, oei", zei Mikkelsen.
"Ik weet het ook niet", zei MacWaff.


Het prakjeshuis - zo noem ik het maar - is veel groter dan ik dacht.Ik heb al tien kamers geteld, maar er zijn er waarschijnlijk nog meer. Over 't eten heb ik nog geen oordeel.
's Avonds wordt hier gewoon droogvoer gegeven. In dit geval Smullies, uitgedroogde konijnekeutels, die ik ook wel eens bij tante Hortensia kreeg voorgezet. Ik vond ze in de keuken met een bakje water ernaast. Ze waren natuurlijk bedoeld voor de kat Suffie, die hier ook ergens in huis moet zijn, maar die ik nog niet gezien heb. Heel netjes liet ik een paar brokjes voor hem over. Toen ze vanochtend nog niet weg waren, heb ik die ook maar opgegeten. Ze worden er niet lekkerder op als ze daar maar liggen te liggen. Mensen krijg je hier niet veel te zien. Vanochtend zag ik een heer op sloffen in de gang. Waarschijnlijk de heer Doppelkom, die hier de baas is. Ik probeerde hem kopjes te geven om de kennismaking op gang te brengen, maarhij zag me niet staan en liep me gewoon ondersteboven. Dat schijnt hier normaal te zijn. Gisteren heeft Mikkelsen me ook al tegen de vlakte gelopen. Vanmorgen zag ik de Deense dog in de gang. Hij kwam op zijn onhandige poten aangerend. Toen hij me zag wilde hij de pas inhouden om me te begroeten. Daarvoor zette hij zich schrap op een kleedje en gleed vervolgens met kleedje en al verder over het gladde parket de gang door. Een lol dat hij had.
"Ha, die Toby!" riep hij, terwijl hij giechelend overeind kwam. "Leuk hier, he, met al die kleedjes! Jippie!" En holderdebolder, weg was hij weer. Toen ik erop lette, zag ik overal kleedjes en lopers schots en scheef door de gang liggen, daar was Mikkelsen vandaag al langs gekomen.
Tegen de avond een plekje gezocht om te slapen.


Eindelijk contact met de mensen! Het exemplaar in kwestie was een vrolijke jongedame die in het prakjeshuis de huishouding regelt en, naar ik hoop, de prakjes toebereidt. Ze schijnt Baarda te heten. Het was weer ouderwets menselijk zoals ik werd begroet. Ik werd meteen van de grond getild, platgedrukt en pruttelend toegesproken: "Ach, ach, ach, wat is dit nu weer voor een vreemd knulletje?" Ik zal jullie de rest van de flauwe kul maar besparen. Ik speelde mijn rol als de beste. Ik spinde me suf. Mijn hoofd ronkt er nog van. Tegelijkertijd gaf ik haar het ene geslaagde kopje na het andere. Ik was goed in vorm. Ja, lachen jullie maar! Het is een hele kunst om het goed te doen. Beginnelingen en knoeiers krijgen er hoofdpijn van en bulten op hun kop. Je moet het echt kunnen. Ze begon meteen veelbelovend in de koelkast te rommelen, terwijl ze "Mellekie, mellekie" kraaide. "Nee, prakje, prakje!" zei ik, maar ze verstond natuurlijk geen kats. Enfin, melk lust ik ook wel. Ze schudde nog wat van die 'konijnekeutels' in een bakje en ging op een keukenstoel zitten kijken hoe ik het allemaal naar binnen werkte.Vooral de eerste keer moet je eten alsof je uitgehongerd bent, ook al heb je helemaal geen trek. Dieren moeten altijd een beetje zielig zijn, of doddig en altijd harig. Je valt alleen bij mensen in de smaak als je een dier bent dat overal haar heeft: zoals katten bij voorbeeld. Ik vraag me soms wel eens af waarom mensen elkáár eigenlijk aardig vinden. Vergeleken met ons katten zijn ze zo kaal als een bladluis.
Jammer dat Poesjkin niet in de buurt is. Hij had vast wel een antwoord op mijn vraag geweten.
Goed geslapen onder een stoel waar vandaan ik alles goed in de gaten kan houden. 's Avonds was er voor mij en de honden een bakje hart.
Lekker, maar het haalt het niet bij aardappels met jus.


Tegen de middag kuierde ik op mijn gemak een kamer binnen waar ik nog nooit geweest was. Het bleek de zitkamer te zijn. Op het eerste gezicht was er niets bijzonders aan. Er stonden luie stoelen met bijzettafeltjes ernaast. Er was een bankje met een harig kussen erop. Er lagen tapijten op de parketvloer en op het dressoir stond een bos bloemen. Heel gewoon zul je zeggen, maar toch was er iets raars aan de hand. In de zitkamer klonk een vreemd, regelmatig gereutel alsof er ergens een bad leegliep. Maar er stond nergens een bad, dus dat kon het niet zijn. Plotseling ging het gereutel over in een ontevreden gesmak, daarna hoorde ik een diepe zucht, en vervolgens begon het gereutel opnieuw. Na enig tijd begreep ik dat ik de bron van al deze geluiden in de buurt van het bankje met het harige kussen moest zoeken. Voorzichtig kwam ik naderbij.Ze bestuderen in dit huis allerlei uitgestorven griezels, dus je kunt nooit weten. Het geluid werd steeds sterker. Toen deed ik een merkwaardige ontdekking: het was het kussen dat al die vreemde geluiden maakte. Geschrokken deed ik een stapje achteruit. Wat was dit voor een huis? Na enige tijd tikte ik er voorzichtig met mijn poot tegenaan. Verstoord deed het kussen een oog open. "Oh, je bent een kat!" riep ik geschrokken.
Er ging nog een oog open. Toen werd er gegaapt. "Wat dacht jij dan?" klonk het tenslotte sloom.
Ineens begreep ik het. "Ah, jij moet die Suffie zijn waar Mikkelsen en MacWaff het over hadden"
"Suffie", zuchtte het harige kussen vermoeid. "Wat denken die snotneuzen wel? Mijn naam is Sufficius Tabernakel, jongeman. Knoop dat in je oren".
"Jawel, meneer", zei ik beleefd. Nu ik hem wat beter kon bekijken vond ik dat hij er eerbiedwaardig uitzag. Hij moest inderdaad stokoud zijn.
"Wat kom jij hier doen?" vroeg hij na enige tijd.
"Ik ben hier aan komen lopen".
"Aaah", zei hij. Meer niet. Toen slaakte hij een diepe zucht en leek weer in te slapen.
"Mag ik u iets vragen?" vroeg ik haastig voor het reutelen weer zou beginnen.
Vermoeid tilde de bejaarde een ooglid op. "Wat?"
"Hoe staat het met de prakjes in dit huis?"
Hij fronste zijn wenkbrauwen. "Prakjes? Dat weet ik niet. Met dat soort dingen bemoei ik mij nooit".
Ik was even uit het veld geslagen. Een kat die zich niet om zijn eten bekommerde? Zoiets had ik nog niet eerder meegemaakt. "Waarmee bemoeit u zich dan wel?" vroeg ik nieuwsgierig.
"Huh?.. Ik slaap, jongeman. Dat is mijn bijdrage aan de Vooruitgang In De Wereld".
"Raar soort bijdrage", zei ik na enig nadenken.
"Vind ik ook", gaf Sufficius Tabernakel toe, "maar je wordt er niet moe van. Dat is al heel wat. Welterusten". Hij slaakte een diepe zucht, die ergens diep uit zijn innerlijk opsteeg, smakte luidruchtig en viel daarna luid ronkend in slaap. Ik had hem graag nog een paar vragen willen stellen, maar ik zag dat niets meer hielp: Sufficius Tabernakel - die wij voor het gemak maar Suffie zullen blijven noemen - was total loss.

's Avonds kregen de honden en ik opnieuw hart van Baarda. Ik moest geduld hebben, dat prakje kwam wel. Zo op het eerste gezicht leken Mikkelsen en MacWaff mij welopgevoede honden toe, zeker vergeleken met zo'n type als Bokma. Maar als ze eten zijn die beesten allemaal hetzelfde: schrokkers. Het is alsof je een stofzuiger boven de etensbak hangt. Zo ligt er nog wat, zo is het weg. En intussen naar elkaar grommen en met bloeddoorlopen ogen naar elkaars etensbak loeren. Want wie het eerst klaar is mag uit de bak van de ander meeschrokken. Ze proeven niks, alles gaat luid smakkend naar binnen. je kunt ze net zo goed gummiballen voorzetten, ze zouden het niet eens merken. Ach, ik zou wel eens willen weten wat Moeder Natuur bedoelde toen ze de hond verzon.


Suffie blijkt een dichter te zijn. Dat beweerde hij tenminste toen ik vanmiddag een kijkje kwam nemen in de salon. Hij lag zoals altijd ineengerold op zijn poef bij de verwarming, maar verder was hij klaarwakker. Dat kon je zien omdat een van zijn ogen op een grotere kier stond dan gewoonlijk.
"Dichter? Wat is dat?" vroeg ik nieuwsgierig.
Hij gaapte verveeld. Daarna schraapte hij zijn keel en legde me vervolgens uit wat het dichterschap inhield. "Kijk jongeman", zei hij, "je hebt woorden die rijmen en woorden die niet rijmen. Daar gaat het allemaal om. Woorden die rijmen dat zijn de woorden die je moet hebben. Die zet je dus niet aan 't begin, maar aan 't eind van de zin".
"Dat rijmt", zei ik, want ik snapte wat hij bedoelde.
Verstoord sperde hij zijn ogen een millimeter verder open. "Wat rijmt?"
"'Zin' rijmt op 'begin'", legde ik uit.
"Verhip, dat is waar", merkte hij verrast op. Ergens uit zijn binnenste steeg een tevreden geronk op. "Zo zie je maar: ik dicht zelfs zonder dat ik er erg in heb".
"Is dat alles?"
"Is het niet genoeg?" Suffie keek me door zijn kier aan en zag dat ik niet erg onder de indruk van zijn uiteenzetting was geraakt. "Hum... Neem nou een woord als eh... twaalf", zei hij met een gewichtig gezicht. "Daar rijmt niets op, dus dat moet je nooit gebruiken. Zo iets voel je alleen aan als je talent hebt, zoals ik".
"Wat is dat, talent?" wilde ik weten.
"Talent?" Zijn stem daalde samenzweerderig. "Dat is iets heel kostbaars, jongeman. Vroeger was het voor achtentwintig pond zilver overal te krijgen, maar tegenwoordig is het onbetaalbaar".
"Maar hoe komt u er dan aan?" vroeg ik.
"Goeie vraag". Hij zat nu op zijn praatstoel. "Ooit, toen de wereld nog jong was en de verwarmingen nog op vier brandden heb ik meegedaan aan een talentenjacht".
"Bent u op de televisie geweest?" viel ik hem geestdriftig in de rede. "Bij Henny Huisman? Bij de Play-back-show?"
"Nee", antwoordde Suffie stijfjes. "Vroeger waren talentenjachten anders. Minder... eh... Hoe zal ik het zeggen? Minder ordinair. Wie geen talent had trok met een paar metgezellen de wereld in om het te zoeken. En wie het vond mocht het houden. Dat is een echte, ouderwetse talentenjacht".
"He? Wat raar". Ik begreep er niets van.
"Helemaal niet raar", antwoordde Suffie gepikeerd.
"Hoe ging dat dan in z'n werk?"
"Heel gewoon, jongeman. Op een dag trok ik, Sufficius Tabernakel, met drie vrienden het bos in. De een was een krekel, die zijn stem kwijt was, de ander was een nachtegaal, die een kikker kon nadoen, en de derde was een sik met de baard in de keel. Een jaar lang zwierven we rond. De krekel had als eerste genoeg van onze dooltocht en begon een vioolzagerij aan de Zelfkant, de sik ging naar de kapper en de nachtegaal werd tenslotte opgegeten door een bijziende ooievaar, die dacht dat hij een kikker was".
"En u?" Ik had het idee dat Suffie de hele geschiedenis uit zijn duim zoog, maar ik wilde wel graag weten hoe het afliep.
"Ik?" Langzaam en statig kwam hij overeind, strekte zijn rug en ging rechtop zitten. "Ik stond er helemaal alleen voor. Daarom ging ik maar terug naar huis. Thuis wilde iedereen weten wat ik had meegemaakt. Ik vertelde het droevige verhaal van de nachtegaal, de krekel en de sik. Tot mijn verbazing liepen bij de toehoorders de tranen over de wangen, zo mooi vonden ze mijn verhaal. Van de weeromstuit begonnen alle woorden die me over de lippen rolden als vanzelf op elkaar te rijmen. Ik wist van geen ophouden meer. Ik rijmde alles aan elkaar. Het ongerijmde rijmde ineens. Geestdriftig nam men mij op de schouders en zette mij een lauwerkrans op de oren. Op dat moment wist ik dat ik mijn talent gevonden had. Ik was dichter geworden..." Hij slaakte een diepe zucht en pinkte een traantje weg, alsof de herinnering hem ineens te veel werd.
"Tjonge", zei ik.
"Zeg dat wel".
"Mag ik eens zo 'n gedicht horen?" vroeg ik nieuwsgierig.
Suffie schrok op. "Een gedicht? Nu?" Hij fronste zijn wenkbrauwen. "Ik weet niet of dat wel kan. Een gedicht is een zaak van gewicht".
"Het hoeft niet lang te zijn, een kleintje mag ook".
"Vooruit dan maar". Hij dacht even na. "Je boft dat me er nu net een te binnen schiet. Het is dus een heel vers vers. De titel is: 'De jaargetijden': Er verscheen een dromerige uitdrukking in zijn ogen, zijn borst zwol op als een blaasbalg. Toen begon hij galmend voor te dragen:

  "Het is lente!
De kappers scheren hun schapen,
overal liggen apen op gapen
het kampeerterrein staat al vol met tente.

Het is zomer!
Meer dan in andere jaargetijden
gaat men nu autorijden,
als gaander en als komer

Het is herfst!
In dit seizoen
is een meloen
het bederfst.

Het is winter!
Overal valt sneeuw,
het huis weergalmt van geeuw,
een geleerde poes spint er."

Ik zweeg verbluft. Een dichtende kat, zoiets had ik nog nooit meegemaakt.
Suffie gaapte zelfvoldaan. "En nu moet ik hoognodig een tukje doen, je hebt me al veel te lang uit de slaap gehouden". Zonder verder nog een woord te zeggen viel hij als een blok in slaap. Op mijn tenen sloop ik de kamer uit.
's Avonds brokjes. Nog altijd geen prakje.


Na het ontbijt vertelde ik MacWaff en Mikkelsen van Suffies dichtkunst.
"Suffie, die malloot, een dichter?" De Yorkshire terriër trok minachtend zijn neus op, maar Mikkelsen wist ervan. "Jottem!" riep de Deense dog opgewonden. "Tof he, dichten. Heeft hij jou ook geleerd hoe het moet?"
"Dat niet".
"Mij wel". Mikkelsen liet zijn tong een meter uit zijn bek hangen van geestdrift. Toen ging hij zitten, hield zijn hoofd scheef, trok zijn rechterpoot nuffig op en declameerde het volgende vers:

  Op Urk
draagt iedereen een jurk,
behalve de honden
omdat ze anders niet kwispelen konden.

"Leuk he?" Mikkelsen begon onbedaarlijk te giechelen. "Zelf gemaakt. Ik kan het ook met 'augurk' en 'kurk' en 'snurk'. Even kijken, hoe ging dat ook al weer..." Hij fronste zijn voorhoofd.
"Dat hoeft niet", zei ik haastig, "dat geloof ik zo ook wel".
"Bah!" snoof MacWaff. "Dichtende beesten, dat ik dat nog moet meemaken? Waar zijn de tijden van vroeger toen wij honden nog postbodes in de broek beten en achter konijnen aanjoegen?"
"Doe niet zo flauw, MacWaff" mopperde Mikkelsen. "Jij hebt maar één keer in de postbode gebeten en daar was je drie dagen later nog beroerd van".
"Twee dagen".
"En dat van die konijnen liegt hij ook", zei Mikkelsen tegen mij. "Die beesten zijn toch veel te groot voor hem. Ik heb eens gezien hoe MacWaff door een konijn achternagezeten werd. Bang dat hij was!"
Als honden konden blozen dan had MacWaff nu een kleur als vuur gekregen, maar nu draaide hij zich zo waardig mogelijk om en trippelde de keuken uit.
Geen prakje.


Vandaag heb ik mezelf voor het eerst voorgesteld aan mijn nieuwe 'baas', meneer Doppelkom.
Onze kennismaking ging zo. Na het ontbijt slenterde ik zomaar een beetje rond door het prakjeshuis, waar nog altijd geen prakjes worden geserveerd. De meeste deuren waren dicht en konden ook niet opengepeuterd worden om te zien wat er achter was. Overal in de gang lagen de vloerkleedjes schots en scheef op de grond. Daar was Mikkelsen langsgekomen op een van zijn holderdebolder-tochten door het huis. Op de tweede verdieping stond een deur open van een vertrek waar ik nog niet eerder was geweest. Voorzichtig stak ik mijn neus naar binnen. Het rook er een beetje muf. Ik waagde me naar binnen. Toen ik voor het eerst goed om me heen keek, schrok ik me dood, overal stonden geraamtes van dieren. Aan de wand hingen platen waarop allerlei enge beesten waren afgebeeld, die ik nooit eerder in mijn leven gezien had. Ik ging op mijn staart zitten om de omgeving eens op mijn gemak te bekijken. Je kon nooit weten of er tussen al die geraamtes en opgezette beesten niet nog een of andere levende griezel schuilging. Een met gemene oogjes die het liefst kat als ontbijt at. Aan het grote bureau zat mijnheer Doppelkom. Het duurde even voor ik in de gaten had dat hij me nauwkeurig gadesloeg.
"Nee maar", zei hij tegen zichzelf, "dat is toch merkwaardig. Een poezebeest. Kom eens hier". Toen ik niet gehoorzaamde - ik ben geen hond - kwam hij overeind en voor ik er erg in had pakte hij me beet en zette me voor zich op het bureau. "Ga jij eens zitten, jochie", zei hij terwijl hij me van achteren op de rug drukte. Omdat hij zo'n aardige stem had deed ik maar wat hij zei. Toch was ik er niet helemaal gerust op. Wilde hij me opzetten of uitbenen, net als die andere beesten?
"Nee maar", prevelde hij, "dat is toch hóóóóógst merkwaardig". Hij stak zijn wijsvinger belerend omhoog en sprak plechtig: "Wist je, poezebeest, dat er drie manieren zijn waarop een kat gaat zitten?"
Dat was nieuws voor me, ik kende maar één manier: op mijn achterwerk.
"De eerste manier gaat als volgt: poezebeest staat stil en loopt met zijn achterpoten naar zijn voorpoten toe tot hij een zittende houding heeft bereikt".
Daar zat wat in, vond ik.
"De tweede manier is deze: poezebeest staat stil en loopt met zijn voorpoten achteruit naar zijn achterpoten toe tot hij een zittende houding heeft bereikt".
Ook daar zat wat in.
"De derde manier is de minst elegante, maar wel de eenvoudigste. Poezebeest zakt gewoon door zijn achterpoten. Klaar. Deze methode is vooral geliefd bij dikke poezebeesten die een buik hebben". Meneer Doppelkom keek me nog eenmaal broedend aan. "Daarover ga ik een geleerd artikel schrijven", besloot hij tevreden en zette me weer op de grond.
Aardige man. Alleen dat gepoezebeest, moet dat nou?


Ik heb een probleem! Ik kan niet meer zitten! Ik heb de uitleg van meneer Doppelkom goed in mijn oren geknoopt. Maar nu ik op wetenschappelijk verantwoorde wijze probeer te gaan zitten kan ik het niet meer. Hoe meer ik erover nadenk, hoe moeilijker het wordt. Op een of andere manier raken mijn poten voortdurend in de knoop en lig ik om de haverklap op mijn snuit. Mikkelsen heeft het een tijdje staan aankijken. Toen kwam hij op me af en vroeg met glinsterende ogen wat dat voor spelletje was dat ik speelde en of hij mee mocht doen. Zo goed en zo kwaad als het ging legde ik hem uit waarover het ging.
"Jottem!" riep hij met de tong uit de bek. "Tof zeg! Dat wil ik ook leren!" Even later lag hij in een knoop op de grond. Hij had dollepret en spartelde alsof hij gekieteld werd.


Ik probeer zo min mogelijk aan mijn zit-moeilijkheden te denken, misschien gaat het dan vanzelf wel over. Mac Waff vertelde me wat die geraamtes en die enge beesten in de kamer van meneer Doppelkom te betekenen hadden.
"Dat noemen ze prehistorische beesten", legde hij uit. "Dat zijn allemaal plaatjes en geraamtes van dieren die uitgestorven zijn. Meneer Doppelkom is een geleerde die dat soort dingen bestudeert".
Nu ik erover nadenk: zou poezebeest de wetenschappelijke benaming van onze soort zijn? Cattosaurus Puzebaestus in het Latijn. In mijn etensbakje lagen rare grauwe korrels. Wat het was weet ik niet, het leek op grind. Misschien waren het wel prehistorische hapjes die meneer Doppelkom had opgegraven. Uitgestorven konijnekeutels of zo. Mikkelsen vindt ze lekker. Kan nog steeds niet goed zitten.


Saaie boel. Mikkelsen glijdt over de kleedjes door het huis, dichterpoes Sufficius Tabernakel snurkt op de poef, MacWaff ligt sjiek te zijn op een kussen. Verder gebeurt er niets. Voor het middagdutje aan tante Hortensia gedacht. Zou meneer Moppie nog bij haar wonen? Zou ze me missen? En Silly, mijn Perzische prinses, zou zij me ook missen? Misschien dat ik eens stiekem een kijkje moest nemen op de Lommerlaan. Heel stiekem...

Victorie! Het eerste prakje! Heerlijke kruimige aardappels met sperziebonen, alles rijkelijk overgoten met vette jus. Oh wat is het leven mooi!


Paniek in huize Doppelkom! Mikkelsen en MacWaff lopen met benauwde gezichten rond. Zelfs Suffie is van zijn slaapplaats verrezen, maar lang duurde dat niet. Even later lag hij er weer.
Ongerust vroeg ik aan de honden wat er aan de hand was.
"Katoentje en baby Karel komen logeren", antwoordde MacWaff.
"Wie zijn dat?"
"De kleinkinderen van meneer Doppelkom", legde Mikkelsen uit.
"Nou en?"
De honden keken elkaar aan. "Tja, eh... hoe zal ik het zeggen...", begon MacWaff.
"Katoentje wil paardje rijden op je rug", zei Mikkelsen. "En ze bindt lege conservenblikken aan je staart. En bakstenen".
"En zuigt met de stofzuiger je oren op", vulde MacWaff aan. "En spuit je met de tuinslang nat".
Zo gingen ze nog even door. Geleidelijk aan drong het tot me door dat de kleindochter van meneer Doppelkom een klein monster was. Persoonlijk heb ik niets tegen kinderen. Van alle mensen vind ik de jonge zelfs het aardigst, maar je hebt er natuurlijk ook krengen tussen zitten. "Wat gaan jullie ertegen doen?" vroeg ik. "Weglopen?"
"Ho ho! Kom nou!" riepen Mikkelsen en MacWaff in koor. "Zoiets doen wij niet, wij zijn honden. Wij horen bij een baasje. Heb je ooit een hond zonder baasje gezien? Wie moet ons anders zeggen dat we bráááááf zijn?"
Dat was waar. Ik was helemaal vergeten dat honden niet op eigen poten kunnen staan.
"Jij boft maar", zuchtte Mikkelsen jaloers. "Jij kunt boven op de kast klimmen waar Katoentje en baby Karel je niet kunnen pesten".
"Dat kun jij toch ook leren?" zei ik. "Probeer het maar eens".
"Tof idee!" riep hij geestdriftig. Via een krukje sprong hij op het aanrecht, maar met het keukenkastje had hij meer moeite. Hij viel telkens terug op het aanrecht. Maar toen lukte het hem toevallig. "Ik ben er!" riep hij triomfantelijk naar beneden kijkend. Plotseling werd hij asgrauw. Hij slikte een paar keer moeilijk en begon te jammeren. "W... wat hoog is het hier. Help! Ik... ik heb hoogtevrees. Ik ben misselijk! Ik... ik durf niet meer naar beneden". Daarna begon hij zo hartverscheurend te janken dat mevrouw Baarda onthutst de keuken binnenrende. Toen ze de Deense dog op het keukenkastje zag, kreeg ze de slappe lach zodat het even duurde voordat ze hem naar beneden kon helpen.
Goed geslapen.


Opgewonden kinderstemmen in huis. Dan de sussende stem van meneer Doppelkom. Een van de kinderstemmen begon luid te bléren. Geschrokken sprong MacWaff overeind en spitste zijn oren.
"Daar heb je ze! Katoentje en baby Karel zijn er. Wegwezen, jongens!" En hij rende de kamer uit.
"Jottem. die heeft haast", zei Mikkelsen. "Wat is er aan de hand?"
"De kinderen zijn er". legde ik uit.
Zijn snuit versomberde. "Dat is waar ook. De kinderen zouden komen logeren en ik durf niet op de keukenkastjes te klimmen", jammerde hij. "Wat moet ik doen?""
De stemmen kwamen snel dichterbij. De deur ging open en een blondharig meisje van een jaar of vijf rende de kamer in. Haar jongere broertje dribbelde achter haar aan,de volle luier tussen zijn kromme beentjes sleepte bijna over de grond. "Hoi, Mikkelsen!" riep ze verheugd. De Deense dog kwispelde flauwtjes, een diepe zucht kwam uit zijn innerlijk omhoog. "Wat heb je toch grote oren", vervolgde ze. "Zie je dat, baby Karel? Flapperdeflapperdeflap", lachte ze en ze probeerde meteen een knoop in Mikkelsens oor te leggen.
"Aapflap", pruttelde baby Karel en hij beproefde zijn krachten al op het andere oor. Mikkelsen keek me ongelukkig aan. Daarna kreeg het meisje mij in de gaten. "Oh, een nieuwe poes! Hoe heet hij, opa?"
Meneer Doppelkom trok een diepe rimpel in zijn voorhoofd. "Hum", zei hij nadenkend. "Hum, hoe dat poezebeest heet? Die heeft nog geen naam, geloof ik. Maar 'Nieuwe Poes', dat lijkt me wel geschikt. Hum, ja, Nieuwe Poes, heel leuk."
Zijn ze nou helemaal geschift? Ik heet Toby en zo blijf ik heten. Als ze maar niet denken dat ik kom als ze 'Nieuwe Poes' roepen.
"Is de oude poes er niet meer, opa?" vroeg Katoentje bezorgd.
"Poezebeest Suffie? Jazeker".
"Waar dan?"
"Hum, even luisteren en dan weet je het". Hij legde zijn vinger op zijn lippen. Toen iedereen stil was vulde een zacht, vredig snurken het vertrek. Met een kreetje rende Katoentje naar het kussen met de dichterpoes. "Suffie!"
De aangesprokene tilde vermoeid een ooglid op. Een diepe reutel welde op uit zijn borst. "Oh hemeltje", prevelde hij. "Juffrouw Katharina en jongeheer Karel zijn te logeren. Dat geeft trammelant". Veel kans om meer te zeggen kreeg hij niet. Katoentje - die kennelijk Katharina heette - tilde hem op en drukte hem tegen haar borst. Lusteloos bungelde hij in haar armen, als een pas geplukte kip.
"Leuk he, Suffie, dat baby Karel en ik er zijn!"
"Ik stik", reutelde de dichterpoes. "Ach, wat een leven is dit toch: vol kommer en kwel".
Fronsend hield het meisje de poes een eindje van zich af. "Opa? Hoeveel haren heeft een kat eigenlijk?" vroeg ze.
Meneer Doppelkom werd duidelijk door deze vraag verrast. Met een gewichtig gezicht begon hij zijn bril te poetsen. "Hum", zei hij tenslotte.
"Natuurlijk weet hij het niet. Het enige juiste antwoord is: ongeveer 92413768910009234", mompelde Suffie humeurig. "De dagelijkse uitval niet meegerekend".
"Jottem!" riep Mikkelsen verbaasd. "Zó veel?"
"Ik kan er een paar haren naast zitten", gaf Suffie toe.
"Ik weet niet hoeveel haren een kat heeft lieve kind", gaf meneer Doppelkom toe. "Een heleboel, denk ik".
"Poeh, jij weet ook niet veel, opa", vond zijn kleindochter.
De geleerde glimlachte toegeeflijk. "Maar dat geeft niet, hoor", troostte ze hem. "Dan vraag ik het wel aan de televisie".
"Alsof die het weten", mopperde Suffie.
"Ik ook poes", jengelde baby Karel en voor ik er erg in had, stortte hij zich op mij.
Ik schrok me dood en hield mij met al mijn nagels vast aan het kleed. Het ging de lucht in. "Kareltje! Zet die poes neer!" gebood meneer Doppelkom.
"Nee", zei het ventje vastbesloten. "Ik ook poes".
Zijn grootvader zuchtte. "Moet je een... eh..." "...koekje?" vulde het jongetje begerig aan.
Dit was het moment. Kareltjes hebzucht deed zijn greep even verslappen. Met een behendige beweging glipte ik uit zijn armen en maakte me uit de voeten. Achter mijn rug begon baby Karel oorverdovend te brullen. Op zolder geslapen. MacWaff was er ook.


Het regent. Katoentje en baby Karel zitten voor de televisie en laten ons met rust.Als een dief sluipt Mikkelsen door het huis. Hij is doodsbang dat hij een leeg conservenblik aan zijn staart krijgt. Mevrouw Baarda heeft vanochtend MacWaff al moeten bevrijden van de twee dozijn wasknijpers die de kinderen op hem gezet hadden. Hij zag eruit als een stekelvarken.
"Leuk he, baby Karel", zei Katoentje tegen haar jongere broertje. "Van opa Doppelkom mogen wij alles zien. Niet zoals thuis, dáár mogen we niks zien". Baby Karel keek belang- stellend naar het scherm. Ze zaten al een halfuur naar een vervolgcursus economie voor gevorderden te kijken. Toen ik een uur later nog eens terugkwam in de zitkamer lagen ze op de grond te slapen. Op de televisie was een programma over moderne landbouw- methoden aan de gang. Ik heb nog een tijdje zitten kijken of er misschien nog een leuke film over een heldhaftige kat vertoond zou worden, maar ze kwamen weer met zo'n muizenfilm. Bah! Voor het slapen gaan aan mijn lieve Silly en die goede tante Hortensia, mijn oude baasje, gedacht. Hoe zouden ze het maken?


Het is droog. MacWaffk wam de keuken binnen waar Mikkelsen en ik ons ontbijt naar binnen werkten. "De toestand wordt ernstig", meldde hij.
"Ernstig?" vroeg ik. "Hoezo?"
"Nu het niet meer regent zullen de kinderen straks wel buiten gaan spelen. Het eerste dat ze zullen doen is een eind touw zoeken om iets aan je vast te binden. Dat staat vast".
"Zou je denken?" vroeg Mikkelsen geschrokken. "Jottem, dan moet ik me ergens verstoppen. Ah, ik weet wat. Ik ga niet op een keukenkastje zitten, maar erin".Hij wurmde met zijn poot de deur van een gootsteenkastje open en stak zijn kop naar binnen. "Joehoe, is daar iemand?" riep hij een beetje overbodig, want wie woont er nu in een gootsteenkastje? Toen er geen antwoord kwam stak hij zijn kop erin. "Ben ik er al in", vroeg hij na enige minuten gewurm.
"Nee", antwoordde MacWaff. "Je hele achterkant steekt er nog uit".
"Die kan er nooit meer bij", riep Mikkelsen bezorgd. "het is hier al helemaal vol".
Ik liet de honden alleen en ging buiten poolshoogte nemen. De kleinkinderen van meneer Doppelkom waren in de tuin.Katoentje was met een stok bezig alle rozen van haar grootvader een kopje kleiner te maken. Haar jongere broertje kraaide van plezier. de rozeblaadjes dwarrelden hem om de oren.
"Ha, Nieuwe Poes", riep Katoentje toen ze me zag.
"Ik ook poes", riep baby Karel terwijl hij mijn staart probeerde te pakken.
"De rozen krijgen straf", legde het meisje uit. "Wij wilden bloemetjes plukken voor opa, maar die rotrozen wilden niet. Zij staken mij en baby Karel heel gemeen met stekels. Expres. Daarom krijgen ze straf omdat ze niet in de vaas van opa Doppelkom willen". Na deze uitleg sloeg ze opnieuw op de rozestruiken in. "Daar! Daar! Steekbloemen!"
's Avonds was er een prakje voor mij en de honden, omdat de kinderen zonder eten naar bed moesten.


Onder de sofa geslapen, waar Katoentje en baby Karel me niet kunnen vinden. Laat in de middag werd ik wakker door een vreemd geluid. Iemand was op de sofa gaan zitten. Nu maken mensen wel vaker rare geluiden als ze gaan zitten en soms stinken die geluiden ook nog. Maar dit klonk anders en rook anders. Het klonk naar het knarsen van een korset en het rook naar het geurtje uit de spuitbus op de w.c. Dat ken ik heel goed omdat het ongeveer ruikt zoals het parfum van tante Hortensia. Je kunt het ook tegen vliegen gebruiken, geloof ik. Enfin, iemand ging zitten en de zitting zakte angstig diep door.
Meneer Doppelkom heeft zo'n uitgestorven olifant van hem op bezoek, schoot het door me heen. Eentje die het parfum van tante Hortensia gebruikt en die gekomen is om over voorwereldlijke wetenschap te praten. Voorzichtig tuurde ik onder de rand van de sofa. Voor mijn neus had iemand een paar dikke ronde roze kuiten geplaatst. Ik verstijfde. Er was maar één persoon op aarde die zulke kuiten had: tante Hortensia! Op slag was ik van slag. Wat deed tante Hortensia hier? Kwam ze me halen? Moest ik bij haar op schoot springen en kopjes geven? Wat als ze niets meer van me wilde weten? Wat als meneer Moppie, die grote kater met die enge littekens op zijn kop, nog bij haar woonde?
Boven me kreunde de sofa. "Heerlijk, koffie! Dank je wel, neef Doppelkorn", hoorde ik tante Hortensia zeggen. "Stop, ik wil drie klontjes in plaats van vier, ik doe aan de lijn".
Meneer Doppelkorn - die klaarblijkelijk haar neef was - mompelde iets onverstaanbaars.
"Nee mallerd", vervolgde tante Hortensia, "dat met buurman Natjes is op niets uitgelopen. Ik vond dat hij wel erg veel rumbonen at".
Ik spitste mijn oren. Natjes was een van mijn gezworen vijanden.
"Bovendien zeurde hij telkens over zijn broek".
"Over zijn broek?" vroeg meneer Doppelkorn verbaasd. "Ga jij met mensen om die over hun broek zeuren?"
"Ja", hernam tante Hortensia. "Mijn Toby,je weet wel, mijn poezemannetje dat zo stout is weggelopen, heeft een week of wat geleden de broek van Natjes kapotgemaakt".
'Poezemannetje'. Leerde ze het dan nooit?
"En nu wil Natjes dat ik die broek vergoed", zei ze. "Het schijnt een heel kostbare broek te zijn geweest".
Onzin. Voorzover ik me kon herinneren had Natjes een goedkope broek gedragen met zo'n glimmend kruis waarin je ook zonder nagels een scheur kon maken. De sofa kraakte. Tante Hortensia ging verzitten.
"Ach, malle, wat een verwennerij!" riep tante Hortensia tegen haar neef. "Appeltaart met pruimedanten, dat had je niet moeten doen. Nu goed, nog één stuk dan. Ik moet echt om mijn lijn denken. Ietsje groter graag... De slagroom kun je er ook naast doen als er bovenop geen plaats meer is. Goed, nog een beetje dan maar, zonde om weg te gooien".
De kuiten werden over elkaar geslagen. Boven mij begon een tevreden geknor. Tante Hortensia at appeltaart met pruimedanten. De visite duurde niet lang. Toen ze over het tuinpad liep slenterde ik een eindje achter haar aan. Ik vroeg mij af of ik met haar mee zou gaan, maar voor ik een besluit had kunnen nemen was ze om de hoek verdwenen.


Slecht geslapen. Geen trek in eten. Mikkelsen vroeg beleefd of hij mijn bak mocht leegeten. In anderhalve hap had hij het op. Daarna was hij nog een kwartier bezig met email uit het etensbakje likken. Ik ging buiten op de vensterbank zitten tobben. Had ik met tante Hortensia mee moeten gaan? vroeg ik me af. Maar wij katten zijn toch niet trouw? Dat is toch typisch iets voor honden? Toch vond ik dat ik een ontrouw beest was. Ik schaamde me dood. Ik hoorde toch bij tante Hortensia? Plotseling sloeg de schrik me om het hart. Kon je als kat wel trouw zijn? Hondetrouw, het woord zegt het al. Maar als ik zo trouw ben als een hond ben ik misschien ook wel een hond. Misschien heb ik het al die jaren bij het verkeerde eind gehad door te denken dat ik een kat was. Misschien was ik in werkelijkheid altijd een hond geweest, zonder het te weten. Nu ik erover nadacht: ik vond altijd al dat ik veel vaker met mijn staart zwiepte dan andere poezen. Ik was een stiekeme kwispelaar. Voorzichtig keek ik over mijn schouder. Het puntje van mijn staart bewoog langzaam van links naar rechts. Zie je, daar had je het al. Ik zwaaide niet gewoon met mijn staart, ik kwispelde echt. Er was geen twijfel mogelijk: ik was een hond. Misschien was ik zelfs wel familie van Bokma.
MacWaff kwam langs de vensterbank. Haastig ging ik op mijn staart zitten. "Hallo, MacWaff. Mooi weer, he?" zei ik, naar de lucht kijkend.
"Mooi weer?" zei hij verbaasd. "Hoe kom je d'r bij. Straks gaat het regenen".
"Goed dat je het zegt". Ik ging wat steviger op mijn staart zitten, stel je voor dat ik weer ging kwispelen. "Ik heb een vraag aan je, MacWaff", begon ik voorzichtig. "Stel dat ik een hond was, wat voor soort zou ik dan zijn?"
Hij fronste zo diep met zijn wenkbrauwen dat het staartje op zijn kop naar voren wees. "Jij een hond?"
"Ja, is dat zo gek?" vroeg ik terwijl ik net deed alsof ik verontwaardigd was. "Waarom zou ik geen hond kunnen zijn? Iedereen heeft toch het recht op zijn tijd een hond te zijn? Of niet soms?"
"Ja, dat wel", gaf hij toe.
"Is er bijvoorbeeld een manier om uit te vinden of je een hond bent of een kat of een... marmot?"
"Ja, een heel goeie zelfs", antwoordde hij. "Wij ruiken zoiets onder een staart". "Ga even staan, dan weten we meteen de waarheid over jou".
Ik voelde er niet veel voor. "Is dat nodig?" vroeg ik. Als ik stond ging mijn staart misschien wel weer vanzelf kwispelen.
"Wil je het weten of niet?" vroeg hij.
"Als je zo aandringt". Zuchtend kwam ik overeind.
"Hou je staart nou even stil", zei hij. Daarna hoorde ik hem afkeurend snuiven.
"Geen hond", zei hij beslist. "Nee Toby, jammer voor je, maar je bent een kat".
Ik herademde. "Weet je MacWaff, ik zal je maar vertellen wat er aan de hand is. Sinds gisteren voel ik dat ik eigenlijk heel trouw ben", zei ik. "Zo trouw dat het eigenlijk onkats is".
Trouw aan het baasje bedoel je?" vroeg MacWaff. Hij haalde zijn neus op en zijn strenge ogen begonnen te glanzen. Dat heb je altijd bij honden, zodra je met hen over 'het baasje' praat gaan ze snotteren.
"Bazin", verbeterde ik hem, hoewel ik dat woord eigenlijk niet sympathiek vind, het klinkt zo bazig.
"Ga je weer naar het bazinnetje terug?"
"Misschien", antwoordde ik nadenkend. Ik moest nog altijd rekening houden met de aanwezigheid van meneer Moppie.
"Jammer, want Mikkelsen en ik vonden je wel aardig", zuchtte hij. "Maar trouw is het belangrijkste op de wereld.En goed kunnen kwispelen natuurlijk. En dat krijg jij toch nooit onder de knie. Technisch kom je een heel eind, maar je hebt er van nature geen aanleg voor.Bovendien val je conditioneel door de mand".


Ik ben weer helemaal de oude nu ik weet dat ik geen hond ben. Na het ontbijt in het zonnetje gezeten. De kinderen speelden Indiaantje op het grasveld. Katoentje had baby Karel aan een boom gebonden omdat hij een gevangene was. Baby Karel vond er toen niets meer aan. Hij zat een tijdje te gapen, terwijl Katoentje woest om hem heen danste. Toen werd ze boos omdat haar broertje van verveling in slaap gevallen was.
Ik heb een probleem. Stel dat ik weer naar tante Hortensia wil, hoe vind ik dan de weg terug?


Ik kan me wel voor mijn kop slaan. Toen ik een tijdje geleden wegliep van tante Hortensia heb ik niet op de weg gelet. Al die bospaadjes waar ik ooit als zwerfkat moet zijn langsgekomen zeggen me nu niets meer. Maar mijn besluit staat vast: zodra ik weet hoe ik de Lommerlaan kan vinden ga ik bij tante Hortensia poolshoogte nemen.


Mooi weer. Katoentje en baby Karel waren buiten in de tuin met een bolderkar in de weer. "We gaan treintje spelen", legde Katoentje uit. Haar broertje keek haar achterdochtig aan. Hij heeft ervaring met de spelletjes van zijn zusje. Meestal moet hij voor haar de kastanjes uit het vuur halen. "Wie is treintje?" wilde hij weten. Katoentje wees op de kar. "Dat is de trein, en ik ben de baas", voegde ze er haastig aan toe.
Haar broertje knikte begrijpend, hij had niets anders verwacht.
"En Mikkelsen wordt onze locomotief, vervolgde ze. De Deense dog had zijn nieuwsgierigheid niet kunnen bedwingen en was uit het keukenkastje gekropen om te zien wat de kinderen aan het doen waren. Voor hij er erg in had kreeg hij een touw om zijn nek. Daarmee bond het meisje hem aan de kar vast.
"Jottem", zei hij somber. "Zie je, Toby, nu ben ik toch weer de klos. Vroeger waren ze nog tevreden met conserven- blikken, maar tegenwoordig binden ze al karren om je nek".
Ik had met hem te doen. Maar hij is soms wel ontzettend onnozel.

"Nu hebben we nog een passagier nodig", zei Katoentje terwijl ze broedend om zich heen keek.
Haar broertje deed een stapje naar achteren. Hij wist niet wat een passagier was, maar het woord beviel hem niks. "Ik niet gassapier", zei het ventje vastbesloten.
"Jij doet wat ik zeg", beval ze, "want ik ben de oudste. Dat hoort zo omdat ik het meeste verstand heb".
"Niet altijd", zei baby Karel verontwaardigd, terwijl hij naar lucht hapte. "Ik ook goed huilen". Voor we er erg in hadden ging hij op het gazon zitten en zette een keel op dat horen en zien je verging. Alleen Mikkelsen bekeek de schreeuwlelijk met een vreemde zwemmerige blik in zijn ogen. Zo kijkt tante Hortensia ook als ze kerstliedjes hoort of advocaat snoept. Toen ging de Deense dog naast baby Karel zitten en begon met een droevig gehuil de tweede stem mee te jammeren. Verbaasd hield het jongetje zijn mond en staarde Mikkelsen met grote ogen aan. MikkeIsen was teleur- gesteld. "Jottem, wat jammer nou dat hij niet verder gaat met dat nummer. We gingen net zo lekker". Inmiddels had Katoentje haar reisplannen nog lang niet opgegeven. Toen ze mij in de gaten kreeg klaarde haar gezicht ineens op. "Ah, daar is Nieuwe Poes. Die kan ook passagier zijn".
Ik keek wel uit. Met twee sprongen zat ik hoog en droog in een boom.
"Mispunt!" riep ze boos. "Kom naar beneden! Zonder passagier kunnen we niet op reis gaan!" Maar ik deed net alsof ze niet bestond en ging me op mijn gemak zitten wassen. Ze dacht even na, waarop ze zonder iets te zeggen het huis in rende. Even later kwam ze terug met dichterpoes Sufficius Tabernakel (in de wandeling Suffie genoemd). Hij had één oog geopend, waarmee hij onwennig tegen het licht van de zon knipperde. "Juffrouw Katharina heeft mij te verstaan gegeven dat ik op reis ga", mopperde hij toen hij mij zag. "Ik houd helemaal niet van reizen. Mijn oom Publicius Starnakel daarentegen was een zeer bereisde kat. Hij schijnt in Rusland geweest te zijn, waar de katten negen staarten hebben en vanille-taart eten. Ik lust geen taart en ik heb genoeg aan één staart."
"Dat rijmt", zei ik uit de boom.
"Je hebt talent of je hebt het niet", mompelde Suffie.
Voor haar nieuwe slachtoffer er erg in had, had Katoentje hem een rood hoofddoekje om de kop geknoopt en hem in de bolderkar gezet. Ze bekeek hem tevreden. "Ziezo, juffie Suffie is onze passagier". Ik zag dat Suffie eerst verontwaardigd wilde roepen dat hij geen poes maar een kater was. Maar in plaats daarvan zuchtte hij heel diep en begon in de bolderkar rond te draaien, op zoek naar een geschikte plek voor een tukje.
"We vertrekken!" kondigde Katoentje aan.
Niemand verroerde een vin. "Wat zou ze van ons willen, Toby?" vroeg Mikkelsen ongerust.
"Geen idee".
"We vertrekken!" herhaalde het meisje terwijl ze hardhandig aan Mikkelsens halsband trok. De Deense dog maakte 'n paar gesmoorde geluiden, hijgde één keer 'jottem' en liep daarna gewillig achter het meisje aan. Baby Karel dribbelde er ook achteraan. Ik volgde, nieuwsgierig waar de optocht naar toe zou gaan. Laat ik kort zijn. Uren later toen het al begon te schemeren waren we ergens diep in het bos beland en niemand wist de weg terug naar huis.
"Wij zijn verdwaasd", stelde baby Karel bedrukt vast.
"Verdwaald", verbeterde zijn zusje hem. "We zijn verdwaald en dat hoort zo. Als je niet verdwaalt ben je niet echt op reis".
Dichterpoes Suffie had zich opgericht en tuurde slaperig om zich heen. "In het bos, in het bos, zijn de wilde beesten los", prevelde hij slecht op zijn gemak. "Het is helegaar niet fijn, als er wilde beesten zijn"
Ik kreeg de kriebels. Waar waren we? Wij katten hebben goede ogen, maar ik zag zelfs geen poot voor ogen. "Ik wil naar huis", zei baby Karel. "Honger". Zijn onderlip begon te trillen. Katoentje was er niet meer zo zeker van of dit het reisdoel was waar ze naar toe gewild had. "We slapen hier vannacht", kondigde ze aan. "We doen net alsof het hier een hotel is". Maar het huilen stond haar nader dan het lachen.
"Wil geen hotel, wil naar huis", jengelde haar broertje. Daarop begonnen de kinderen allebei luid te huilen. Even later viel Mikkelsen in met de derde stem. Een traan biggelde uit zijn ontroerde hondeogen. Het werd nog donkerder. De kinderen waren uitgehuild en van vermoeidheid in slaap gevallen. Mikkelsen en ik keken elkaar aan. "Jottem, wat doen we nu, Toby?"
"Ze zullen jullie wel komen zoeken", stelde ik hem gerust.


Ik schrok wakker. In het bos klonken stemmen en het geblaf van honden. Licht flitste tussen de bomen. 'Daar zijn ze!' werd er geroepen. De honden kwamen dichterbij. Ik schoot haastig weg tussen de bomen. Ik moet niets van politiehonden hebben. Die bijten eerst en denken dan pas na. Katoentje en baby Karel werden wakker en besloten voor de zekerheid maar een potje te gaan huilen. Je wist nooit waar het goed voor was. Alleen Suffie bleef onverstoorbaar doorslapen. De reddingsploeg ontfermde zich over de verdwaalde kinderen. De politiehonden liepen zenuwachtig heen en weer. Eén snuffelde met zijn grote neus onder de boom waaronder ik me verborgen had. "Wat doe jij hier?" bromde hij achterdochtig.
"Gaat je niets aan".
Hij begon een hoop lawaai te maken. "Hier is de verdachte, jongens! Hij heeft de kinderen ontvoerd en probeert zich nu te drukken!" De andere honden wilden zich losrukken en zich op mij storten, maar ik zat allang in een boom. Politiehonden zijn zo ongeveer de domste beesten die er op vier poten rondlopen. Even later was iedereen verdwenen. Ik bleef alleen achter in mijn boom in een eng donker bos.


Daar zat ik dan, moederziel alleen op een tak in een eng bos. De politiehonden waren met de kinderen, Mikkelsen en Suffie naar huis gegaan. Ik had besloten voor de zekerheid hier de nacht door te brengen, maar ik heb nu eenmaal niet voor vogel gestudeerd dus ik dreigde voortdurend van mijn tak te vallen. Toch had ik goed geslapen, warm en behaaglijk, wat eigenlijk vreemd is op zo'n winderige boomtak. Toen het licht werd kon ik een beetje beter zien waar ik was.
"Roekoe!" klonk het vlak naast me. Geschrokken draaide ik me om. "W ...wat ben jij?" vroeg ik. Vlak naast mij zat een dikke beige tortelduif die zich aanhalig tegen mij aanschurkte. "Knus, he? Zo saampjes op zo'n tak", zei de tortel koerend en ze kroop nog eens wat dichter tegen me aan. Werktuiglijk schoof ik een eindje bij haar weg. Ik wist me niet goed raad met de situatie.
"Wat ben jij voor vogel?" wilde de tortel weten terwijl ze me kirrend 'n kopje gaf. "Ik heb jouw soort nog nooit gezien".
"Ik ben geen vogel", legde ik uit.
"Ik wel", zei de tortel. "En ik ben ook nog een héél aardige vogel op de koop toe". Ze zette haar verenpak op en kwam weer gezellig tegen me aan zitten. "Zit in de familie", gniffelde ze.
"Hela, heb je niet genoeg aan je eigen stuk tak?" riep ik.
"Nee", giechelde ze aanhalig. "Zo zijn wij tortels nou eenmaal: vreselijk gesteld op gezelschap en knuffelen met andere vogels. De hele dag door".
"Zie je dat dan niet? Ik ben helemaal geen vogel!" riep ik boos. "Ik ben Tobias, cyperse kater. En dadelijk duw je me nog van de tak".
"Een kater?" Ze trok een wenkbrauw op en bekeek me van top tot teen. Toen koerde ze uit volle borst en gaf me een gulle knipoog. "Geeft niks wat je bent, als we het maar gezellig hebben, wij tweetjes op onze tak". Ze zuchtte diep. "Wat is het leven toch leuk. Tukkie doen, takkie zitten, nestje bouwen, eitje leggen..."
"Ik leg geen eieren", zei ik beledigd terwijl ik mijn poten uitrekte.
"Waar ga je naar toe?" vroeg ze verbaasd. "Moet je weg?"
Ik was naar de stam gekropen en keek naar beneden. Goeie vraag. Waar ging ik naar toe? Naar het prakjeshuis van meneer Doppelkorn? Naar tante Hortensia, als ik haar huis tenminste kon terugvinden? Of werd ik weer gewoon zwerfkat?
"Vind je me niet aardig?" koerde de tortel verontwaardigd. Ik kreeg een ingeving.
"Ik vind je reuze aardig", zei ik. "Zo'n aardig iemand wil natuurlijk wel iets voor me doen".
"Graag!" riep ze opgetogen. "Ik ben zo graag aardig".
"Jij kunt vliegen. Kun je voor mij de weg naar de Lommerlaan zoeken?" vroeg ik.
"Is het anders niet?" En ze ging meteen op zoek. Toen ze een kwartier later terugkwam zat ik me beneden in het gras te wassen.
"Joehoe", koerde ze. "Waar zit je? Op de grond? Dat is gevaarlijk hoor".
"Ik ben niet bang", zei ik nonchalant. "Welke kant is de Lommerlaan?"
"Het pad volgen en links aanhouden", antwoordde ze uit de boom. "Maar kun je niet beter vliegen? Dat is veel sneller en lang niet zo gevaarlijk als daar beneden op de grond".
"Ik kan niet vliegen".
"Niet vliegen?" vroeg ze met een schuin kopje. "Ben je dan een kip of zo?"
"Nee, een kat", zei ik met een zucht. Het gesprek werd nu wel erg vermoeiend. "Bedankt", riep ik naar boven en verdween haastig tussen de struiken waar ze me niet kon volgen. Naar huis, naar huis! Ik zette er stevig de pas in: staart in de krul en de blik op oneindig. Aan de rand van het bos zonk mij plotseling de moed in de schoenen. Wat als meneer Moppie er nog was? Wat als er voor mij geen plaats meer was op de schoot van tante Hortensia? Wat als die vechtersbaas met al die lelijke littekens met Silly had aangepapt? Ik kreunde van ellende. Tobberig ging ik onder een struik zitten. Mijn terugkeer naar de Lommerlaan had toch meer voeten in de aarde dan ik gedacht had.


Slecht geslapen op een lege maag. Gisteravond had ik nog wel wat rondgescharreld om te zien of ik nog iets te eten kon vinden, maar ik lust geen nachtvlinders en de bunzing die ik tegen het lijf liep, keek alsof hij mij wilde opeten in plaats van ik hem. Met een bang voorgevoel wandelde ik door het weiland van boer Zult naar de weg. Terwijl ik over de weg naar het pad met de hazelaar liep, ontwaarde ik een oude bekende die zojuist zijn poot tegen de struiken had opgetild en nu druk rondsnuffelde om te ruiken wat de concurrentie ervan terecht had gebracht. Toen hij mij zag begon hij blaffend te lachen. "Harf! Harf! Daar hebbben we zwerfkat Toby", pestte hij. "Blaren op je poten gekregen, jongen? Last van eksterogen? Had ik wel gedacht: met hangende pootjes terug! Harf! Harf!"
Ik nam mij voor mijn waardigheid te bewaren en niet terug te kijven. "Goedemiddag, Bokma. Dat je nog altijd vrij rondloopt. Was er nog steeds geen plaats in het asiel?"
"Tjonge, meneer de wereldreiziger heeft kapsones gekregen!"
Ik ging zitten en begon nonchalant een poot te wassen. "Wat ik je vragen wou, Bokma", zei ik tussen twee likken door, "weet jij of die Moppie nog bij tante Hortensia woont?"
Hij loerde me scheef aan en gaf geen antwoord. Zijn domme hondebrein werkte onder hoogspanning.
"Sloof je niet uit om iets te verzinnen, Bokma. De waarheid is ook goed."
"Die lelijkerd? Die is allang weg", antwoordde hij tenslotte. "Hij verveelde zich. Dat huisleven was slecht voor zijn lijn en er viel niets te vechten in de buurt".
Ik knikte bedachtzaam. Bokma had mij natuurlijk iets op de mouw gespeld, meneer Moppie woonde natuurlijk nog altijd bij tante Hortensia. Ik kon het beste zelf poolshoogte nemen, ik was nu immers toch in de buurt. Terwijl ik voorzichtig de kust rond nummer tien verkende, nam ik mij voor me zo breed en imposant mogelijk te maken. Met veerkrachtige passen, alsof er niets aan de hand was, stapte ik de bijkeuken binnen. Er hing een geur van Tsjomp! vernieuwde katteklontjes met vitamine K-plus, maar het misselijke spul zelf was nergens te bekennen. Vreemd, meneer Moppie was er een liefhebber van. In de keuken geurde het naar suddervlees en tante Hortensia. Ik stak mijn hoofd om de deur. Niemand. Ik besloot het aanrecht te inspecteren, want ik stierf van de honger. Plotseling klonk er een kreet die me door merg en been ging.
Van schrik sprong ik met vier poten omhoog, maar voor ik weer neerkwam, was ik al beetgepakt en tegen een gevulde boezem fijngedrukt. Ik hapte naar lucht.
"Poezemannetje! Mijn poezekereltje is weer bij het vrouwtje terug! Foei, stout knullebulletje van me, mag jij weglopen?" Ik was weer thuis. De rest van de dag bij tante Hortensia op schoot gezeten. Kopjes gegeven en prakjes gegeten. Moppie was nergens te bekennen, zijn geur was zelfs verdwenen. Bokma had dus voor deze ene keer niet gelogen. Ik zou het leuk vinden Silly weer eens te zien, maar tante Hortensia wil me nog niet laten gaan. Duizelig van het geknuffel gaan slapen in mijn oude vertrouwde naaimandje.



Tante Hortensia had even niet opgelet en de deur open laten staan. Zo snel ik kon rende ik naar het huis van Natjes. De kust was veilig, Natjes en Bokma waren er niet. Maar waar was Silly? Ik stak mijn hoofd door het katteluikje en gluurde de keuken in.
"Ben je daar eindelijk, theemuts", klonk een overbekende stem. "Kom maar, de kust is veilig!"
Silly! Mijn hart maakte een sprongetje en ik ook. "Silly? Waar ben je? W...wat doe je in die doos? Ben je ziek?"
"Nee, hoor. Integendeel. Kom maar kijken". Ik boog me over de rand en schrok. In de doos kropen vier cyperse poesjes rond, die er bij nader inzien ook wel behoorlijk perzisch uitzagen. "Wie zijn dat?" vroeg ik wat onnozel.
"Je familie, sukkel. Jij bent hun vader".
"Ik? Vader? M..maar... Wat leuk!" Iets anders wist ik niet te zeggen. Wat zeg je eigenlijk bij zulke gelegenheden?
"Twee dochters en twee zonen", spinde Silly tevreden.
"Van elk twee maar liefst", zei ik in de war. "Tjonge. Dat noem ik nog eens thuiskomen!"
[Naar de top van de pagina]